Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Roodkeelstrandloper

Roodkeelstrandloper | Calidris ruficollis

Red-Necked Stint | Correlimos cuellirrojo

Een Siberische strandloper die eigenlijk in Australië overwintert en toch af en toe in Europa opduikt, meestal als adulte vogel in (bijna) volledig zomerkleed in juli. In Europa is het een uitzonderlijke verschijning die tussen groepen kleine strandlopers wordt gezocht.

Roodkeelstrandloper (Calidris ruficollis)
Hoofdfoto · Foto: Alpsdake — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een grof, wat piepend tsjit of prip, ook als korte reeks pit-pit-pit, lager en schorder dan het korte, droge stit van de kleine strandloper. In Europa gaat het bijna altijd om een enkele vogel in een groep kleine strandlopers, en dan hoor je de roep hooguit bij het opvliegen. Krijg je een verdachte vogel op de grond niet rond, dan kan de groep gericht worden opgejaagd om de roep te horen.

Luister: RoepXC950071

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Klein, langgerekt en laagbenig, met een korte, aan de basis dikke snavel die naar een fijne punt taps toeloopt, en zwarte poten zonder zwemvliesjes tussen de tenen. Het silhouet is het eerste kenmerk: korte tarsen, een lang achterlijf en een vleugelpunt die duidelijk voorbij de staart uitsteekt. In zomerkleed zijn wangen, keel en bovenborst effen baksteenrood, zonder streping in het rood zelf, en wordt dat rood onderaan begrensd door een ketting van donkere streepjes op een witte borst. Juvenielen zijn grijzer en vlakker dan jonge kleine strandlopers, met roestig gezoomde bovenste schouderveren tegen effen grijze onderste schouderveren en dekveren, vage mantelstrepen en een grijze waas op de borstzijden. Winterkleed is effen grijs boven, met een lichte grijze borstvlek.

Verwarrings­soorten

De kleine strandloper is de soort waar het om gaat. Die heeft in zomerkleed een witte kin en keel met streping door het oranjerood heen, terwijl de roodkeelstrandloper juist een effen rode keel heeft met de streepjes pas eronder in een halsketting. In juveniel kleed heeft de kleine strandloper heldere witte mantelstrepen, een gespleten wenkbrauwstreep en zwart gecentreerde schouderveren met roestbruine zomen; de roodkeelstrandloper oogt vlakker, met een grijzere kruin, dof grijze onderste schouderveren en flauwe mantelstrepen. De bouw scheidt hem ook van de rest: bij kleine strandloper reikt de vleugelpunt ongeveer tot de staartpunt, bij roodkeelstrandloper er merkbaar voorbij, en bij Temmincks strandloper steekt de staart juist voorbij de vleugelpunt. Van alaskastrandloper en grijze strandloper verschilt hij door het ontbreken van zwemvliesjes tussen de tenen, een kenmerk dat je bij een vogel in ondiep water kunt zien; de alaskastrandloper heeft bovendien een langere, aan de punt gebogen snavel en roestrode schouderveren, de grijze strandloper een stompe rechte snavel en een dicht gestreepte borstband. De kleinste strandloper valt af op geelgroene poten, een fijner en licht gebogen snaveltje, een bruiner gestreept kleed en een volledige borstband. Temmincks strandloper ten slotte heeft geelolijve poten, een effen grauwe borst en witte buitenste staartpennen, en gedraagt zich kruipend in plaats van rennend.

Leefgebied

In Europa op het wad, in inlaagjes, kwelderkreken, brakke plassen en zoutpannen, en op de modderranden van bezinkvelden, steeds in gezelschap van kleine of bonte strandlopers. In het broedgebied op droge, kruidenrijke toendra langs de arctische kust van Noordoost-Siberië. Buiten Europa is dit een vogel van de enorme intergetijdengebieden van de Oost-Aziatische trekroute, waar hij pikkend en snel doorlopend foerageert.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt langs de arctische kust van Noordoost-Siberië en overwintert in Zuidoost-Azië en Australazië, tot Tasmanië en Nieuw-Zeeland. De Europese gevallen betreffen vogels die in het westen zijn blijven hangen, met waarnemingen van mei tot november en een duidelijke concentratie rond juli, en verreweg de meeste zijn adulte vogels; de enige juveniele vogel die in Europa is gedocumenteerd, werd op 31 augustus 1994 dood gevonden op Fair Isle. Op het Iberisch Schiereiland zijn de gevallen op de vingers van een hand te tellen, verspreid over de Atlantische en de Middellandse Zeekust.

Hoe en wanneer kijken

Juli is de maand, en ondiepe plassen en zoutpannen werken beter dan de vloedlijn. Werk plekken als Ballycotton en Tacumshin, de inlaagjes en karrenvelden van Schouwen en Texel, en de zoutpannen van Cádiz en Huelva, de Ebrodelta en de mediterrane kustlagunes af, telkens zodra de eerste teruggekeerde adulte kleine strandlopers arriveren. Let vooral op de achterkant van elke kleine strandloper: een vleugelpunt die voorbij de staart steekt bij een vogel die verder op een kleine strandloper lijkt, is het kenmerk waarop de meeste gevallen zijn opgemerkt, en de effen rode keel met het streepjeshalsbandje daaronder bevestigt het.

Staat van instandhouding

Bijna bedreigd. De soort hangt in het niet-broedseizoen aan de Oost-Aziatische trekroute, waar het inpolderen en verharden van de slikgebieden rond de Gele Zee grote stukken pleistergebied heeft weggenomen. Tellingen langs die route laten snelle afnames zien bij vrijwel alle steltlopers die er doortrekken. In Australië worden bovendien lagere aankomstgewichten en kleinere aantallen op de traditionele overwinteringsplaatsen vastgesteld.

Wetenschappelijke naam

Calidris ruficollis | (Pallas, 1776)

Pallas beschreef de soort in 1776 als Trynga ruficollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. ruficollis is modern Latijn voor 'roodhalzig', van rufus 'rood' en collum 'hals', naar de roestrode keel in zomerkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kulussutai in Transbaikalië.