Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Oehoe

Oehoe | Bubo bubo

Eurasian Eagle-Owl | Búho real

Een van de grootste uilen ter wereld en een jager die zelfs reigers, kraaien en jonge vossen slaat. Na een eeuw van vervolging keerde hij terug in Limburgse groeves en zelfs op industrieterreinen.

Oehoe (Bubo bubo)
Hoofdfoto · Foto: Kamil — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een diepe, doffe, ver dragende roep oe-hoe met nadruk op de eerste lettergreep, op stille avonden kilometers hoorbaar; het wijfje klinkt hoger en heser. Vooral van januari tot maart, in het eerste uur na zonsondergang. Bedelende jongen krassen in mei en juni een schor, klagend tsjieh.

Luister: Zang, roepend mannetjeXC604112

Opname: Robert Petersen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Kolossaal, tonvormig en breedschouderd, met lange, schuin naar buiten wijzende oorpluimen en vlammend oranje ogen. Warm okerbruin, met zware zwarte lengtestrepen op de borst en fijne bandering op de buik. In de vlucht enorm, met brede ronde vleugels, korte staart en trage, buizerdachtige slagen afgewisseld met glijden; jongen hebben kortere oorpluimen.

Verwarrings­soorten

Ransuil is de klassieke verwarring, maar niet groter dan een kraai, met gele ogen en rechtopstaande, dicht bijeenstaande oorpluimen en een veel slanker silhouet. Bosuil is kleiner, ongeoord en zwartogig. Een zittende oehoe wordt op afstand vaak voor een boomstronk of een buizerd aangezien; alleen de oehoe roept diep en ver dragend.

Leefgebied

Rotswanden, kloven, groeves en steile hellingen met uitzicht over open jachtterrein. Broedt zonder nest op een richel of in een spleet, soms in een oud roofvogelnest of op de grond, en jaagt over bosranden, akkers, stortplaatsen en verlichte stadsranden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Vrijwel heel continentaal Europa, maar overal schaars en verspreid; ontbreekt op de Britse Eilanden. Recent heeft hij ook Zuid-Limburg en de Achterhoek gekoloniseerd, waar nog weinig paren zitten. In Iberië wijdverbreid en talrijk in barrancos (steile, droge ravijn in vulkanisch of bergachtig terrein), sierras en riviercanyons. Standvogel en zeer honkvast.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in februari of maart bij windstil weer een uur voor zonsondergang op afstand zitten met zicht op een rotswand of groeve en luister; roepende vogels verraden zich vaak nog voor het echt donker is. Blijf ver van de wand, want verstoring bij het nest is fataal.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). Na zware vervolging en vergiftiging in de twintigste eeuw in veel landen hersteld en opnieuw uitbreidend richting het noordwesten. De belangrijkste bedreigingen zijn elektrocutie en aanvaringen aan middenspanningsmasten, aanrijdingen langs wegen en spoorlijnen, en verstoring van broedwanden door klimmers en fotografen.

Wetenschappelijke naam

Bubo bubo | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Strix bubo; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bubo werd in 1805 ingevoerd door Duméril. Bubo is het Latijnse woord voor de oehoe. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.