Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Kalanderleeuwerik

Kalanderleeuwerik | Melanocorypha calandra

Calandra Lark | Calandria común

De zwaarste leeuwerik van Europa en de zanger van de Zuid-Europese graanvlakte: een gedrongen vogel met een dikke snavel en een zwarte vlek aan weerszijden van de hals, die in een zeer trage zangvlucht boven het land hangt en daarbij het halve repertoire van zijn buren nabootst.

Kalanderleeuwerik (Melanocorypha calandra)
Foto: Bouke ten Cate — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een luide, snelle, ratelende stroom van krassende en fluitende motieven, dichter en harder dan die van de veldleeuwerik en doorspekt met imitaties: kwartel, griel, kievit, bijeneter en zelfs schaapsbellen zitten erin. Hij zingt in een wijde, trage zangvlucht met opvallend langzame, klapperende vleugelslagen, of vanaf een kluit, een steen of een draad. De roep is een droog, rollend en nasaal tsjrrrp of een hard klitra, dat over de vlakte draagt zodra een groep opgaat. De zang begint al eind januari en houdt tot in juni aan.

Luister: ZangXC1143442

Opname: Tanguy Loïs — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Groot en zwaar gebouwd, met een grote kop, een korte staart en een dikke, bleke snavel waarvan de bovenrand duidelijk gebogen is. Aan weerszijden van de onderhals staat een forse zwarte vlek, bij oude mannetjes zo breed dat het bijna een halve halsband wordt; daarboven een witte keel, een lichte wenkbrauwstreep en een donkere teugelstreep. Bovendelen grofbruin geschubd, borst okerkleurig met vage strepen, buik wit. Het beslissende beeld krijg je pas in vlucht: brede, driehoekige vleugels met een roetzwarte ondervleugel en een brede witte achterrand, en witte zijranden aan de staart. De vlucht is zwaar en bijna spreeuwachtig, heel anders dan het aarzelende fladderen van een veldleeuwerik.

Verwarrings­soorten

De verwarring die telt is de bergkalanderleeuwerik — zie ook de soortpagina van de bergkalanderleeuwerik. Die mist de witte achterrand aan de vleugel volledig, heeft een grijzige in plaats van roetzwarte ondervleugel, en een donkere staart met smalle witte punten in plaats van witte zijranden; zijn wenkbrauwstreep is scherper en loopt breed door achter het oog. Een kalanderleeuwerik zonder witte vleugelachterrand bestaat niet, dus dat kenmerk sluit het geval. De veldleeuwerik is veel kleiner en lichter, heeft een dunne snavel, witte buitenste staartveren en geen zwarte halsvlek. Kortteenleeuwerik en kleine kortteenleeuwerik wegen nog geen kwart zoveel en hebben hooguit een klein donker streepje op de halszijde.

Leefgebied

Grootschalig, boomloos en droog open land: onberegend wintergraan, braakland, distelvelden en stoppels, steenachtige pseudosteppe, en in het oosten van het gebied ook zoutsteppe rond binnenmeren. Hij komt voor in uitgestrekt, open terrein en ontbreekt op kleine, versnipperde percelen. Het nest is een kuiltje in de grond, gedekt door een graanpol of een lage struik, en de vogel foerageert lopend tussen het gewas door.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van West-Iberië en de Maghreb oostwaarts door het Middellandse Zeegebied, de Balkan, Anatolië en het Midden-Oosten tot in Centraal-Azië. Iberië herbergt verreweg het grootste deel van de Europese populatie, met zwaartepunten in Extremadura, Castilië, Aragón en La Mancha; verder broedt hij op Sardinië en Sicilië, in het zuiden van het Apennijns schiereiland en op de Balkan, en met een klein restant in de Crau in de Provence. Noord-Afrika telt in de hele Maghreb flinke aantallen. In Noordwest-Europa, de Britse Eilanden inbegrepen, is hij een zeldzame dwaalgast, meestal in het voorjaar op eilanden en kapen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd in april bij zonsopgang een landweg door het Iberische secano (niet-geïrrigeerd droogland-akkerbouwgebied) en zet de motor uit: boven vrijwel elk perceel hangt dan een zingende kalanderleeuwerik, en je hoort ze veel eerder dan je ze ziet. Zoek daarna een groep op de grond op en wacht tot ze opvliegen — pas dan zie je de zwarte ondervleugel met de witte achterrand, en dat is het kenmerk dat het geval sluit. In de winter zitten ze in dichte groepen van honderden op de stoppels en langs onverharde wegen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar in Europa gaat het hard achteruit. In Iberië is de soort sinds eind jaren negentig met tientallen procenten geslonken door de omschakeling van droog graan naar beregende gewassen, de aanleg van intensieve olijf- en amandelplantages, het verdwijnen van braak uit de rotatie en het vroege, machinale oogsten waarbij nesten sneuvelen. In de Crau resteert nog maar een handjevol paren, en ook op het Apennijns schiereiland en op de zuidelijke Balkan dunt hij uit. De soort is afhankelijk van extensief secano: braak in de rotatie, late oogst, geen beregening en geen bebossing van de vlakte.

Wetenschappelijke naam

Melanocorypha calandra | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Alauda calandra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melanocorypha werd in 1828 ingevoerd door Boie. Melanocorypha is Grieks, van melas 'zwart' en koruphos, bij klassieke schrijvers een niet meer thuis te brengen vogel, hier verward met korudos 'leeuwerik'. calandra gaat via het middeleeuws Latijn terug op het Griekse kalandros, de naam van deze leeuwerik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Pyreneeën.