Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Italiaanse mus
Italiaanse mus | Passer italiae
Italian Sparrow | Gorrión italiano
Wie in Rome, Napels of Palermo op een terras zit en er komt een mus om de kruimels, dan is dat deze. De Italiaanse mus is de gewone huismus van vrijwel het hele Apennijns schiereiland, van Corsica en van Kreta, en hij ziet er ook precies zo uit — met dit verschil, dat hij een kastanjebruine kruin draagt in plaats van een grijze en een spierwitte wang in plaats van een grauwe. Hij wordt sinds 2011 in de meeste lijsten als aparte soort behandeld; een deel van de literatuur houdt hem nog altijd bij de huismus. Voor de vogelaar in het veld is de vraag anders en eenvoudiger: hoe ziet de vogel eruit, en waar houdt hij op?
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Niet te onderscheiden van de huismus, en dat is op zichzelf een gegeven: hetzelfde tsjilp in reeksen vanaf een dakgoot of een luifel, hetzelfde nasale geratel bij alarm, hetzelfde rollende tsjur-tsjur van een opvliegende groep en hetzelfde avondgeroezemoes uit een dichte klimop. Wie deze soort op geluid wil determineren, komt niet verder dan mus; de kruin moet de rest doen.
Opname: Tanguy Loïs — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Formaat, houding en snavel als bij een huismus. Het mannetje heeft een geheel kastanjebruine kruin en nek, zonder een spoor van grijs, zwarte teugels en een grote, zuiver witte wang die tot in de halszijde doorloopt en scherp tegen het kastanje afsteekt. De zwarte bef is klein en netjes begrensd: kin, keel en een beperkt deel van de bovenborst, en niet meer dan dat. De onderdelen zijn effen vuilwit tot lichtgrijs en missen de zwarte flankstrepen die de Spaanse mus zo gevlamd maken. De rug is warm kastanjebruin met zwarte lengtestrepen, de vleugel toont één witte streep, de snavel is zwart in de broedtijd en hoorngeel daarbuiten. In de winter is het patroon door lichte veerranden gedempt, maar de kastanjebruine kruin blijft zichtbaar. Het vrouwtje is niet van een huismusvrouwtje te onderscheiden: vlak grijsbruin, met een bleke wenkbrauwstreep en een gestreepte rug. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.
Verwarringssoorten
Twee soorten doen ertoe, en beide op één kenmerk. Tegenover de huismus: die heeft een gráuwe kruin en een grauwwitte wang; de Italiaanse mus heeft kastanje op de kruin en wit op de wang. Tegenover de Spaanse mus: die deelt de kastanjebruine kruin en de witte wang, maar heeft een veel grotere zwarte bef en zware zwarte strepen over borst en flanken, terwijl de Italiaanse mus onder de kleine bef effen licht is. In een groep zijn de vrouwtjes van alle drie niet te scheiden. Belangrijker dan de kenmerken zijn hier de grenzen. Aan de zuidkant van de Alpen, in de zuidelijke Alpendalen en tot in de oostelijke Alpen, staat een smalle strook van hooguit twintig tot dertig kilometer breed waarin de kenmerken van huismus en Italiaanse mus in alle mogelijke combinaties door elkaar lopen: vogels met een half grijze kruin, met een grauwe wang bij een kastanjebruine pet, met een bef die te groot of te klein is. Die vogels zijn niet op naam te brengen, en het is geen gebrek aan ervaring als dat niet lukt. Op Sicilië en Malta gebeurt hetzelfde aan de andere kant, richting de Spaanse mus. Ten zuiden van de Povlakte en op Corsica is het beeld daarentegen wél eenduidig; de mussen van Kreta lijken sterk op de Italiaanse mus, maar gelden in een deel van de literatuur als tussenvormen.
Leefgebied
Precies de plekken waar in het noorden de huismus zit: stadscentra en pleinen, buitenwijken, dorpen, boerenerven, campings, treinstations en havens, en daaromheen olijfgaarden, wijngaarden, moestuinen en graanakkers waar hij foerageert. Het nest is een slordige overdekte bal van halmen en veren in een spleet onder de dakpannen, in een muurgat, achter een luik, in een holte in een oude gevel of in een nestkast, en verder vaak los in een boomkruin of in de takken van een groot nest van een andere vogel. Van zeeniveau tot in de bergdorpen van de Apennijnen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het hele Apennijns schiereiland, van de Povlakte tot Sicilië, verder Corsica en Kreta, en aan de noordrand nog een strook in de zuidelijke en oostelijke Alpen. Aan de voet van de Alpen en in de Alpendalen grenst zijn areaal aan dat van de huismus in een smalle overgangsstrook; ten noorden daarvan zit de huismus, ten zuiden ervan de Italiaanse mus. In het zuiden van het Apennijns schiereiland, op Sicilië en op Malta grenst hij aan de andere kant aan de Spaanse mus. Buiten dit gebied is hij een grote zeldzaamheid. Hij trekt niet, en zwerft ook nauwelijks: de kolonies zitten het hele jaar op dezelfde straat.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Neem op het Apennijns schiereiland, op Corsica of op Kreta een terras of een dorpsplein en kijk gewoon naar de mussen die om de kruimels komen — je hoeft er niets voor te doen. Kies een mannetje op een tafel of een stoelrug, op een halve meter afstand, en let op twee dingen tegelijk: de kruin (kastanjebruin tot in de nek) en de flanken (effen licht, zonder strepen). Dat tweede punt maakt het onderscheid met de Spaanse mus, dat eerste met de huismus. Reis je door de Alpen naar het zuiden, kijk dan onderweg elke honderd kilometer even naar de kruin van een mannetje: ergens tussen Innsbruck en Verona kantelt het beeld, en daartussen zit de strook waar de vogels alles door elkaar laten zien.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar op de wereldwijde Rode Lijst (IUCN: Vulnerable), hoewel de vogel op elk plein binnen zijn areaal om de kruimels komt. De reden is niet zeldzaamheid maar snelheid: de tellingen laten al decennia een stevige, aanhoudende afname zien, en omdat het hele areaal uit het Apennijns schiereiland, een paar eilanden en een randje daarbuiten bestaat, telt die afname meteen mondiaal mee. De oorzaken zijn dezelfde als bij de huismus in Noordwest-Europa: bij restauratie en isolatie van gebouwen worden de spleten onder de dakpannen en in de gevels dichtgezet, groenstroken en rommelhoeken worden verhard, en er is in het voorjaar minder insectenvoedsel binnen het kleine actiegebied van een broedende mus. Het beeld is niet overal gelijk: op het platteland en in de kleine bergdorpen is de stand nog gezond, en het zijn vooral de steden en het intensieve akkerland van de Povlakte waar hij wegvalt. Wie binnen zijn areaal nestpannen ophangt en een dichte haag laat staan, doet voor deze soort hetzelfde als een tuinier verder naar het noorden voor de huismus.
Wetenschappelijke naam
Passer italiae | (Vieillot, 1817)
Vieillot beschreef de soort in 1817 als Fringilla italiae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. italiae is Latijn voor 'van Italië', het schiereiland waar de soort vrijwel geheel thuishoort. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.




