Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grote geelpootruiter
Grote geelpootruiter | Tringa melanoleuca
Greater Yellowlegs | Archibebe patigualdo grande
De grootste van de twee Amerikaanse geelpootruiters en in Europa veruit de zeldzaamste. Een groenpootruiter met knalgele poten, zo blijft hij hangen — maar het zijn de lange, licht opgewipte snavel en de luide driedelige roep die de determinatie dragen.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Het beste kenmerk op afstand. De vluchtroep is een luid, helder en doordringend tjew-tjew-tjew, meestal drie noten en soms vier, met de laatste een tikje lager; hij draagt honderden meters en klinkt voller en harder dan die van de groenpootruiter. Vogels roepen bij het opvliegen, bij onraad en tijdens het rondcirkelen. Het tellen van de noten — drie tegen twee — brengt je vaker bij de juiste geelpootruiter dan welk bouwkenmerk ook.
Opname: Niels Krabbe — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Formaat en bouw van een groenpootruiter: 29–33 cm, stevige hals, hoge poten. De poten zijn helder oranjegeel, ook bij jonge vogels. De snavel is lang, ongeveer anderhalf keer de koplengte, met een dikke basis, licht opgewipt en aan de wortel grijsgroen; de punt is stomp en donker. Bovendelen grijsbruin met witte inkepingen; in zomerkleed zijn kop en hals zwaar zwart gestreept en dragen de flanken grove zwarte pijlvlekken. In vlucht: witte stuit, fijn gebandeerde staart en geen vleugelstreep, terwijl de rug grijs blijft — er loopt geen witte wig omhoog zoals bij de groenpootruiter.
Verwarringssoorten
De kleine geelpootruiter is de enige echte concurrent, en het formaat helpt alleen als er iets naast staat. Beslis daarom op de snavel: bij de grote is die duidelijk langer dan de kop, dik aan de basis, vaak grijs aan de wortel en licht opgewipt; bij de kleine is hij ongeveer even lang als de kop, naaldfijn, egaal donker en kaarsrecht. De roep sluit het af: de grote geeft een luid, bellend, licht dalend tjew-tjew-tjew van drie of vier noten, de kleine een zachter en vlakker tjoe of tjoe-tjoe van één of twee. Van de groenpootruiter scheiden hem de gele pootkleur en het ontbreken van de witte rugwig, van de tureluur de donkere snavelbasis en het ontbreken van de witte achterrand in de vleugel.
Leefgebied
Ondiepe zoete en brakke plassen met een modderige of drassige rand: inlaagjes, kleiputten, karrenvelden, zuiveringsvijvers, geïnundeerde percelen en plas-drasgebieden. Hij waadt dieper dan de meeste ruiters en jaagt actief op stekelbaarsjes en garnaaltjes, soms met de snavel zijdelings door het water zwiepend. Broedt in open veenmoeras met dwergberk en verspreide sparren in de Noord-Amerikaanse taiga.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van een smalle boreale band van Zuid-Alaska tot Newfoundland, overwinterend van het zuiden van Noord-Amerika tot Vuurland. Voor het gidsgebied een echte zeldzaamheid: enkele tientallen gevallen op de Britse Eilanden, een handvol aan de Noordzee en in Iberië en verspreide waarnemingen elders, vooral in nazomer en herfst. Vogels die aanlanden zijn vaak trouw aan één plas en blijven weken hangen of overwinteren zelfs.
Hoe en wanneer kijken
Ga bij een melding meteen, want deze soort zet zich vast op één inlaag of kleiput en foerageert daar dagen achtereen. Neem de tijd voor de snavel: wacht op een moment waarop de vogel strikt van opzij staat en vergelijk snavellengte met koplengte. Jaagt een slechtvalk de boel op, luister dan in plaats van te kijken; de driedelige roep zegt genoeg.
Staat van instandhouding
Gevoelig (IUCN: Near Threatened) sinds de 2024-update van de Rode Lijst, met een wereldpopulatie in de orde van enkele honderdduizenden vogels. De soort broedt dun verspreid in ontoegankelijk veenmoeras, waardoor trends onzeker blijven; tellingen op de trek wijzen op stabiele tot licht afnemende aantallen. De duidelijkste druk ligt in het overwinteringsgebied, bij drooglegging van kustmoerassen en het verdwijnen van ondiepe zoutpannen en lagunes.
Wetenschappelijke naam
Tringa melanoleuca | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax melanoleuca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. melanoleuca is Grieks, van melas 'zwart' en leukos 'wit', naar het zwart-wit getekende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Château Bay in Labrador.




