Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Grauwe pijlstormvogel
Grauwe pijlstormvogel | Ardenna grisea
Sooty Shearwater | Pardela sombría
De grauwe pijlstormvogel broedt op eilanden rond Nieuw-Zeeland en Vuurland en maakt daarna een rondreis van tienduizenden kilometers door de Atlantische Oceaan. Wie hem in september langs de Noordwest-Europese kust ziet trekken, kijkt naar een vogel die een paar maanden eerder aan de andere kant van de wereld op het nest zat.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Op de Noordzee en langs de Iberische kust volledig zwijgzaam; deze soort roept in Europa niet. In de kolonies op het zuidelijk halfrond is het 's nachts oorverdovend: een schor, dubbel, in- en uitademend gekreun en gehijg, koe-oe-oe-àh, dat uit duizenden holen tegelijk opstijgt. Dat geluid hoor je alleen van november tot april op eilanden bij Nieuw-Zeeland, in het zuiden van Zuid-Amerika en op de Falklands.
Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Groot, egaal donker en pijlsnel. Het silhouet is dat van een lange, smalle sigaar met sikkelvormige, tamelijk lange en spitse vleugels die ver naar achteren staan; de staart loopt spits toe. De vlucht is kenmerkend: een paar krachtige, stijve slagen gevolgd door een lange glijvlucht waarbij de vogel steil over de golftoppen kantelt, hoog opzwaait en weer omlaag duikt — bij harde wind schiet hij in hoge bogen door het beeld, veel sneller en directer dan een meeuw. Van boven en op afstand egaal donkerbruin tot zwart. Het beslissende kenmerk zit onder de vleugel: een langgerekte, zilverwitte baan over de handdekveren die bij het kantelen oplicht als een spiegel, waardoor de vogel afwisselend zwart en zilverachtig lijkt. De snavel is lang, dun en donker.
Verwarringssoorten
Yelkouanpijlstormvogel is kleiner en compacter, met een vuilwitte buik en lichte oksels; die is nooit egaal donker onder. Noordse pijlstormvogel is scherp zwart-wit gescheiden en veel kleiner. De donkere vorm van de Noordse stormvogel is de lastigste: die heeft een dikke nek, een stompe kop, een korte gele snavel en veel stijvere, rechtere vleugels zonder de zilveren ondervleugelbaan, en zwaait niet zo hoog boven de golven. Grote jager is forser en breder gevleugeld, met witte vlekken op de handbasis van beide vleugels en een tragere, roofvogelachtige slag. Kleine jager is slanker met een lichte buik en verlengde staartpennen.
Leefgebied
Volledig pelagisch buiten de broedtijd, boven het continentaal plat en de plateauranden, waar hij duikend achter kleine vis, inktvis en krill aangaat; hij kan tientallen meters diep duiken. Broedt in zelfgegraven holen op grazige en beboste eilandhellingen in het zuiden van de Stille en Atlantische Oceaan. In Europese wateren uitsluitend te gast, altijd op zee en nooit aan land.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt niet in het gidsgebied. Van juli tot november trekt de soort met de klok mee door de Noord-Atlantische Oceaan; de hoofdroute loopt langs de westkust van de Britse Eilanden en over de Golf van Biskaje, met een kleiner deel dat de Noordzee binnendringt. Langs de zuidelijke Noordzeekust is hij een schaarse maar jaarlijkse doortrekker, met tientallen tot enkele honderden vogels in een goed najaar, vrijwel altijd bij wind uit het noordwesten. Voor Galicië en in de Golf van Biskaje is hij talrijk, met duizenden vogels op piekdagen in september en oktober; in de Straat van Gibraltar schaarser.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zeetrektellingen aan de zuidelijke Noordzeekust bij een stevige noordwester in september en oktober zijn daar de beste kans; dammen, pieren en kapen die in de trekbaan liggen doen het dan. Zoek niet naar kleur maar naar de vluchtstijl: een donkere vogel die veel hoger en sneller boogt dan de meeuwen eromheen. Onvergelijkbaar beter is Galicië: Estaca de Bares of Cabo Vilán in september met noordwestenwind levert honderden tot duizenden vogels per ochtend, vaak dicht onder de kaap. Een veerboot over de Golf van Biskaje is in dezelfde periode een goed alternatief.
Staat van instandhouding
Gevoelig (Near Threatened). De wereldpopulatie telt nog vele miljoenen vogels, maar de aantallen dalen al decennia. Historische en nog steeds toegestane oogst van jongen op Nieuw-Zeelandse eilanden, bijvangst in de langelijnvisserij en in trawlnetten, en veranderingen in de voedselaanvoer door opwarming van de oceaan zijn de belangrijkste oorzaken. In Europese wateren speelt vooral bijvangst; de trekroute door de Golf van Biskaje overlapt met intensieve visserij.
Wetenschappelijke naam
Ardenna grisea | (Gmelin, 1789) (GBIF: Puffinus griseus)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria grisea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardenna werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Ardenna gaat terug op Artenna, de spelling die de Italiaanse natuuronderzoeker Ulisse Aldrovandi in 1603 voor een zeevogel gebruikte en die Reichenbach bij de naamgeving aanhaalde. grisea is middeleeuws Latijn voor 'grijs'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nieuw-Zeeland.
