Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Grauwe fitis

Grauwe fitis | Phylloscopus trochiloides

Greenish Warbler | Mosquitero troquiloide

De grauwe fitis is de boszanger die van de oostkant Europa binnenschuift. Hij broedt al rond de oostelijke Oostzee, en elk voorjaar duikt er wel ergens in een duinbosje langs de Noordzeekust een zingend mannetje op dat wekenlang blijft hangen zonder ooit een vrouwtje te vinden. Het is een onopvallend grijsgroen vogeltje dat zich verraadt met een roep die klinkt als een witte kwikstaart in het struweel.

Grauwe fitis (Phylloscopus trochiloides)
Foto: Francesco Veronesi — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is luid, scherp en duidelijk tweelettergrepig — tsjis-wiet of tsli-oe — met een tweede lettergreep die naar beneden zakt, en hij klinkt zo hard en zo kwikstaartachtig dat je in een duinbosje even opkijkt of er geen witte kwikstaart overvliegt. Precies dat kwikstaartkarakter is het kenmerk: geen enkele andere kleine boszanger van het gidsgebied roept zo. De zang begint met een enkele inleidende toon en gaat dan over in een snelle, hoge, hakkelende reeks van overwegend dalende elementen, waarin losse motiefjes een paar keer achter elkaar worden herhaald; het geheel duurt zo'n twee seconden en klinkt als de roep die in een rolletje wordt afgedraaid. Mannetjes zingen aanhoudend van eind mei tot in juli.

Luister: ZangXC905125

Opname: Jochem Verweij — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Iets groter dan een tjiftjaf, slanker en langer van vleugel, maar kleiner en fijner dan een Noordse boszanger. Boven grijsgroen zonder veel glans, onder zijdeachtig wit met hooguit een vuile waas op de borstzijden; van het gele dat een fitis heeft, is vrijwel niets te zien. De kop is het belangrijkste plaatje: een lange, witte wenkbrauwstreep die vóór het oog even breed is als erachter, tot op de snavelbasis doorloopt en daar vaak met de andere kant samenvloeit, met daaronder een scherpe donkere oogstreep. Op de vleugel staat één smalle, vuilwitte streep over de toppen van de grote dekveren, meer niet — en in versleten najaarskleed kan die streep vrijwel gedoofd zijn. De poten zijn grijs tot grijsbruin en ogen in het veld gewoon donker; de ondersnavel is oranje zonder donkere punt. De handpenprojectie is kort, een derde tot de helft van de tertiallengte. Het is een druk, mezenachtig vogeltje dat voortdurend door de buitenste twijgen scharrelt.

Verwarrings­soorten

De Noordse boszanger is de klassieke valkuil: groter en zwaarder, met een forsere, dieper aangezette snavel met een donkere punt aan de ondersnavel, een langere handpenprojectie, lichte oranjebruine poten met gele tenen, en een wenkbrauwstreep die vóór het oog juist smaller wordt, de snavelbasis niet haalt en achteraan een opwippend haakje maakt. Zijn roep is een hard, droog zik, als een waterspreeuw. De groene fitis is veel geler: gele waas over wenkbrauwstreep, wang en keel, feller groen boven, een bredere en gelere vleugelstreep en vaak nog een tweede, vage streep op de middelste dekveren; zijn roep is drielettergrepig en gaat aan het eind omhóóg. Swinhoes boszanger heeft twee vleugelstrepen, waarvan de onderste lang, breed en over de hele lengte even breed is, en zijn wenkbrauwstrepen raken elkaar boven de snavel vrijwel nooit. De bladkoning is kleiner, heeft een lichte kruinstreep, twee felle geelwitte vleugelstrepen en brede witte tertialzomen. Fitis en tjiftjaf missen de vleugelstreep helemaal; de tjiftjaf heeft bovendien een korte, vage wenkbrauwstreep en tikt met de staart. In alle gevallen geldt: de roep hakt de knoop door.

Leefgebied

Broedt in hoog, vochtig loof- en gemengd bos met een dichte struiklaag: berken- en espenbos, elzen- en wilgenbos langs rivieren, oude sparrenbossen met loofhoutondergroei, bosranden, parken en grote, verwilderde tuinen. In het oosten van het areaal en in de Himalaya klimt hij op tot het berkenbos aan de boomgrens. Hij foerageert hoog in de kroon en in de buitenste takken, zelden laag in de struiklaag. Op doortrek in Noordwest-Europa belandt hij juist in kustbosjes, duindoorn en wilgenstruweel dicht bij zee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van de Baltische streek, het zuiden van Fennoscandinavië en Oost-Europa oostwaarts tot in Siberië en zuidwaarts tot de Himalaya en Centraal-Azië; overwintert op het Indiase subcontinent. De westgrens is in de twintigste eeuw honderden kilometers opgeschoven en ligt nu binnen het gidsgebied: de meest westelijke broedgevallen van Europa vielen op Schiermonnikoog, in 2003 en 2018. Langs de Noordzeekusten is hij een schaarse maar jaarlijkse gast met twee pieken: zingende mannetjes van eind mei tot in juni, en doortrekkers van half augustus tot half september aan de oostkusten, met Norfolk, Northumberland, Shetland en Fair Isle voorop. In het Middellandse Zeegebied een uitgesproken zeldzaamheid, met enkele nazomergevallen aan de oostkust van Iberië, onder meer op de Columbretes en in de Llobregatdelta.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Twee momenten. Het eerste is de eerste helft van juni: loop dan in een kustbos of een oud landgoed langs de Noordzee- of Oostzeekust en luister naar een aanhoudend zingend vogeltje met een hakkelend, hoog liedje dat níet het aflopende zuchtje van de fitis is. Zulke mannetjes zingen dagenlang vanaf dezelfde paar bomen en zijn met geduld goed te zien te krijgen. Het tweede is de laatste week van augustus na een paar dagen oostenwind, in duindoorn en wilgenstruweel achter de zeereep — en in september op de kapen en in de kustmoerassen van de westelijke Middellandse Zee: dan zoek je niet naar een vogel maar naar een geluid, en dat geluid is een kwikstaartachtig tsjis-wiet tussen de tjiftjaffen door. Kijk daarna naar de wenkbrauwstreep die tot op de snavel doorloopt, en naar de ene smalle vleugelstreep.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met een zeer grote en stabiele wereldpopulatie. In Europa heeft de soort haar broedgebied sinds het midden van de vorige eeuw naar het westen uitgebreid, tot in de Baltische streek en het zuiden van Fennoscandinavië, en die uitbreiding is de reden dat er tegenwoordig elk voorjaar zingende mannetjes langs de Noordzeekust opduiken. Of die westwaartse verschuiving doorzet valt niet te zeggen.

Wetenschappelijke naam

Phylloscopus trochiloides | (Sundevall, 1837)

Sundevall beschreef de soort in 1837 als Acanthiza trochiloides; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. trochiloides betekent met het Griekse -oides 'gelijkend op' zoveel als 'lijkend op trochilus', de fitis. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Calcutta in India.