Alle soorten › Zangvogels › Goudhaantjes › Goudhaantje
Goudhaantje | Regulus regulus
Goldcrest | Reyezuelo sencillo
Het goudhaantje is samen met het vuurgoudhaantje de kleinste vogel van Europa: negen centimeter, vijf tot zeven gram, het gewicht van een suikerklontje. Zo'n vogeltje zit een Scandinavische winter uit en steekt in oktober 's nachts de Noordzee over. Op het Iberisch Schiereiland is hij de vogel van het gebergte, veel minder algemeen dan zijn verwant het vuurgoudhaantje. Je vindt hem zelden door te kijken; je vindt hem door te luisteren — als je die tonen tenminste nog hoort.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Hier zit het praktische probleem van deze soort. De roep is een reeks van drie of vier ijle, hoge tonen op dezelfde toonhoogte, sie-sie-sie, zonder enige klank eronder. Ze liggen rond de acht kilohertz, hoger dan vrijwel elk ander Europees vogelgeluid, en dat is precies het bereik dat het menselijk gehoor als eerste verliest. Veel vogelaars boven de vijftig horen een goudhaantje alleen nog op een paar meter afstand, en boven de zestig vaak helemaal niet meer. Dat is geen curiositeit maar een gegeven waar je je veldwerk op moet inrichten: wie de soort niet hoort, telt hem stelselmatig te laag. De zang is een hoog, ritmisch heen-en-weer schommelen, sie-sie-tiedeliet, sie-sie-tiedeliet, drie of vier keer herhaald en dan afgesloten met een snel, wat rommelig slotje. Te horen van maart tot in juli, en op zachte winterdagen kort opnieuw. Wie de tonen niet meer haalt, komt ver met een opnameapparaat met koptelefoon, of met een jonger paar oren erbij.
Opname: Jochem verweij — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Een bolrond, kortstaartig vogeltje met een grote kop, een naaldfijn snaveltje en een groot zwart oog dat midden in een leeg, vaalwit gezicht staat. Dat lege gezicht is het betrouwbaarste kenmerk van de soort: geen wenkbrauwstreep, geen oogstreep, alleen een bleke ring van fijne veertjes rond het oog. Bovendelen olijfgroen, onderdelen vuilwit met een gelige waas op de flanken. Over de kruin loopt een citroengele streep die aan weerszijden scherp zwart is omzoomd; bij het mannetje zit in dat geel een oranje kern, die alleen te zien is als hij zijn kruinveren opzet — in de praktijk bij een baltsend of ruziënd vogeltje. Op de vleugel twee lichte dwarsstreepjes, waarvan de onderste van onderen wordt begrensd door een zwart vlekje aan de basis van de armpennen: klein, maar bij elke vogel aanwezig. Poten donker met vaalgele voeten. Jonge vogels van het eerste najaar missen de kruinstreep volledig en zijn dan effen groenig, met datzelfde lege gezicht.
Verwarringssoorten
Het vuurgoudhaantje is de enige echte verwarring, en op het Iberisch Schiereiland is het bovendien de talrijkste van de twee, zodat de vergelijking daar meestal andersom wordt gemaakt — zie ook de soortpagina van het vuurgoudhaantje. Alles zit in de kop: het vuurgoudhaantje heeft een lange, zuiver witte wenkbrauwstreep met daaronder een zwarte streep dwars door het oog, en daaronder nog een lichte wangvlek, terwijl het goudhaantje van dat alles niets heeft en een egaal vaal gezicht houdt. Kijk daarna naar de schouder: bij het vuurgoudhaantje ligt daar een brons- tot goudkleurige vlek die het goudhaantje mist. De kruin van het goudhaantje is geel, alleen bij het mannetje met een verborgen oranje kern; die van het vuurgoudhaantje is bij beide geslachten oranje tot vuurrood. Op afstand en in tegenlicht valt vooral het contrast op: het vuurgoudhaantje oogt feller, witter en groener, het goudhaantje doffer en grijzer. Zie je alleen een silhouet, noteer dan niets. Verder kan een bladkoning in het najaar even in de weg zitten: die is groter en langgerekter, heeft een lange gele wenkbrauwstreep en een felle vleugelstreep, en roept een luid, stijgend tsjoe-wiest. En de ijle roepjes van staartmees en pimpelmees lijken op die van het goudhaantje, maar geen van beide vogels is zo klein en zo bolrond.
Leefgebied
Naaldbos is de kern, en daarbinnen de fijnspar boven alles: oude opstanden, jonge aanplant, singels langs weiland, een enkele spar in een tuin. Ook zilverspar, douglas en lariks voldoen, en in gemengd bos houdt hij stand zolang er groepen naaldbomen tussen staan. Verder broedt hij in tuinen, parken en begraafplaatsen met taxus, hulst, cipres en coniferenhagen — in stedelijk gebied is dat vaak de enige plek waar hij zit. Buiten de broedtijd verruimt hij zijn keuze aanzienlijk en zwerft hij met mezentroepen door loofbos, houtwallen, duinstruweel en zelfs rietkragen. Het nest is een klein, diep hangend kommetje van mos, korstmos en spinrag, opgehangen onder het uiteinde van een sparrentak en van binnen dik met veertjes gevoerd; er gaan acht tot elf piepkleine eitjes in, die het vrouwtje in twee lagen boven elkaar bebroedt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van de Britse Eilanden en de Azoren tot het uiterste oosten van Azië, in een brede band door de naaldbosgordel van Europa en Azië en zuidelijker in de bergnaaldbossen. In Noordwest- en Midden-Europa een algemene broedvogel van vrijwel elk naaldbos en elke coniferentuin, in het westen het hele jaar aanwezig. Daar komt in oktober een enorme toevloed overheen van Scandinavische en Baltische vogels, die 's nachts de Noordzee oversteken; op een goede najaarsdag zitten er in het duinstruweel en op de Noordzee-eilanden tientallen tegelijk, tot in de duindoorn en de vlier waar geen naald te bekennen is. In het Middellandse Zeegebied broedvogel van de vochtige bergnaaldbossen — in Iberië de Pyreneeën, het Cantabrisch gebergte, het Iberisch Systeem en plaatselijker het Centraal Systeem — en in de winter veel breder verspreid, tot in de laaglanddennenbossen van het binnenland en de kust, al blijft hij daar minder talrijk dan het vuurgoudhaantje; rond de oostelijke Middellandse Zee en in Noord-Afrika vooral wintergast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De zekerste route is een mezentroep in de winter. Goudhaantjes hangen bijna altijd achteraan zo'n troep; loop van november tot februari langs een bosrand, blijf staan zodra je het gebabbel hoort, kijk omhoog en wacht — de vogels komen naar je toe en laten zich op een paar meter bekijken. In het naaldbos zelf loont het om in maart of april — in de bergbossen van het zuiden april of mei — langs een sparrenrand te lopen en op de zang te wachten; richt je verrekijker dan op de buitenste twijgen en niet op de stam, want de vogel foerageert onder de takuiteinden en hangt daarbij regelmatig ondersteboven. Toets ook eerst of je de soort nog hoort. Speel thuis een opname af en draai het volume terug tot je hem net niet meer hoort; dan weet je hoe dicht je in het veld moet naderen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Europa een van de talrijkste broedvogels, met een bestand dat in de tientallen miljoenen paren loopt. De aantallen schommelen wel sterk. Een winter met langdurige vorst en sneeuw kan lokaal meer dan de helft van de vogels kosten, maar met twee legsels van acht tot elf eieren per jaar is dat gat meestal binnen twee of drie seizoenen weer gedicht. Op langere termijn spelen twee dingen tegen elkaar in: het omvormen van naaldhoutaanplant naar loofbos haalt broedgelegenheid weg, terwijl droogte en letterzetteraantasting hele fijnsparopstanden doen verdwijnen. Waar spar en douglas blijven staan, blijft het goudhaantje.
Wetenschappelijke naam
Regulus regulus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla regulus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Regulus werd in 1800 ingevoerd door Cuvier. Regulus is Latijn voor 'koninkje', een verkleinvorm van rex 'koning', naar de gouden kruinstreep. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.



