Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Gierzwaluw

Gierzwaluw | Apus apus

Common Swift | Vencejo común

Weinig vogels leven zo volledig in de lucht als de gierzwaluw: hij eet, slaapt en paart op de wieken en landt alleen om te broeden. Een jong dier kan na het uitvliegen bijna twee jaar aaneengesloten vliegen.

Gierzwaluw (Apus apus)
Hoofdfoto · Foto: Alexis Lours — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een doordringende, hoge gil, srriiii, vaak in koor door groepen die in de avondschemer laag door de straten jagen. Te horen van eind april tot begin augustus rond de kolonies; daarbuiten is de soort volledig uit Europa verdwenen.

Luister: Roep in vluchtXC554033

Opname: Luis Alvarez Menendez — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Sikkelvormige, stijve vleugels, een korte gevorkte staart en een egaal roetbruin verenkleed dat tegen de lucht zwart oogt. Van dichtbij of in goed licht valt de vage lichte keelvlek op. De vlucht is snel en flitsend, met lange glijfases en abrupte draaien; jonge vogels hebben lichte veerzomen en een duidelijker witte keel.

Verwarrings­soorten

Huiszwaluw en boerenzwaluw zijn kleiner, licht op de onderdelen en fladderender in de vlucht. Het echte probleem is de vale gierzwaluw: bruiner, met contrastrijker kop- en keelpatroon, een breder ogende vleugelbasis en een tweetonige gil. Hij is een dwaalgast in Noordwest-Europa, maar leeft in grote delen van Iberië samen met de gewone gierzwaluw. Alpengierzwaluw is veel groter en heeft een witte buik.

Leefgebied

Broedt vrijwel uitsluitend in gebouwen: onder dakpannen, in spouwmuren, achter boeiboorden en in nestkasten, vooral in oudere binnensteden en dorpskernen. Foerageert hoog boven stad, plas en polder, en zakt bij regenachtig weer naar lage luchtlagen boven water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel in vrijwel heel Europa, van Iberië tot boven de poolcirkel, en verder in Anatolië, de Levant en Noord-Afrika; in Noordwest- en Midden-Europa in elke plaats met oude bebouwing, in het Middellandse Zeegebied op het platteland even talrijk als in de steden. Overwintert in Centraal- en Zuidoost-Afrika, van het Congobekken en Oost-Afrika in het noorden tot de Zambezi in het zuiden, en schuift in de loop van de winter van het ene gebied naar het andere op. Vogels uit de Lage Landen, de Britse Eilanden en Midden-Europa nemen de westelijke weg over Iberië en de Maghreb; Scandinavische en Baltische vogels gaan over het Apennijns Schiereiland en de Balkan. De wegtrek begint in augustus en verloopt zo snel dat de soort opvallend abrupt verdwijnt; in het voorjaar is het regenwoud van West-Afrika de laatste pleisterplaats vóór de oversteek van de Sahara in april, en zijn de vogels eind april en in mei terug.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in juni op een warme avond in een oude wijk staan, een uur voor zonsondergang: dan vormen zich de gierende groepen die laag langs de gevels scheren. Let bij drukkend weer ook op hoge troepen die voor een onweersfront uit wegtrekken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In grote delen van West-Europa gaat de soort achteruit. De belangrijkste oorzaak is verlies van nestplaatsen: renovatie, na-isolatie en nieuwbouw sluiten de holtes onder daken af. Daarnaast speelt de afname van vliegende insecten mee. Neststenen en het sparen van bestaande holtes bij verbouwing helpen aantoonbaar.

Wetenschappelijke naam

Apus apus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo apus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Apus werd in 1777 ingevoerd door Scopoli. Apus is Latijn voor 'gierzwaluw', van Grieks a- 'zonder' en pous 'voet': de ouden hielden de vogel voor een zwaluw zonder poten. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.