Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Basrakarekiet

Basrakarekiet | Acrocephalus griseldis

Basra Reed Warbler | Carricero de Basora

Een van de zeldzaamste zangvogels van deze gids en een van de weinige die als bedreigd te boek staan. Hij broedt vrijwel alleen in de moerassen van Mesopotamië — de rietvlakten tussen Tigris en Eufraat — overwintert aan de Oost-Afrikaanse kust en glipt in het voorjaar in kleine aantallen door de Jordaanvallei en langs Eilat.

Basrakarekiet (Acrocephalus griseldis)
Foto: Tero Linjama — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang lijkt op die van de grote karekiet, maar dan door iemand die haast heeft: sneller, hoger, ijler en met veel meer echte zangnoten tussen het gekras, zonder de diepe kikkertonen en de schelle uitschieters van de grote karekiet. Hij zingt vooral in de Mesopotamische moerassen, van april tot in juli, dag en nacht vanaf een rietstengel. Op doortrek is hij meestal stil; een enkele keer laat een vogel in mei een korte, zachte subzang horen. Roep: een hard, kort tsjak en een laag ratelend tsjerr.

Luister: RoepXC646982

Opname: Keramat Hafezi Birgani — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een slanke, langgerekte karekiet, kleiner en veel fijner gebouwd dan de grote karekiet. Het opvallendst is de snavel: lang, dun en over de hele lengte gelijkmatig smal, met een bleke ondersnavel en een donkere punt. Bovendelen koel olijf- tot grijsbruin zonder enig roest, kruin vaak een tint donkerder dan de mantel, waardoor de kop gekapt lijkt. Keel en borst zijn zuiver zijdewit en steken duidelijk af tegen de okerbruine flanken. De witte wenkbrauwstreep is smal maar scherp en loopt tot achter het oog door, met een donkere teugel eronder. De vleugel is lang en spits met een lange handpenprojectie — het merk van een vogel die tot diep in Oost-Afrika vliegt — en de staart is naar verhouding kort.

Verwarrings­soorten

De grote karekiet is de vogel waarmee hij in de Levant wordt verward, en het verschil zit niet in de grootte maar in de bouw. Basrakarekiet: fijne, gelijkmatig smalle snavel, koel grijsbruine bovendelen, wit dat op keel en borst tegen okerbruine flanken botst, een wenkbrauwstreep die tot achter het oog doorloopt, een lange handpenprojectie en een korte staart. Grote karekiet: zware snavel met een brede basis, warmer bruin, vuilgeel doorlopend over de hele onderzijde, een korte wenkbrauwstreep die bij het oog ophoudt en zware poten. De Indische karekiet, die in hetzelfde riet zit maar het hele jaar blijft, heeft een even lange snavel maar een ronde vleugel met een korte handpenprojectie en een lange, getrapte staart, en hij is doffer en olijver van boven. Wie in september een zwijgende, versleten Acrocephalus in een rietkraag in de Jordaanvallei ziet, kan hem beter onbenoemd laten.

Leefgebied

Broedt uitsluitend in uitgestrekt, dicht riet dat in het water staat, met lisdodde ertussen en open kreken erdoorheen — het landschap van de Mesopotamische moerassen. Op doortrek is hij veel minder kieskeurig: rietkragen langs visvijvers en irrigatiekanalen, tamarisken en acacia's in een wadi (droog rivierdal dat alleen na regen water voert), zelfs tuinen en mangobomen. In de winterkwartieren aan de Oost-Afrikaanse kust zit hij in dicht struweel en papyrus, vaak ver van open water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Het broedgebied is één vlek: het zuiden van Mesopotamië, met de Hawizeh-, Hammar- en Centrale moerassen. In 2006 werd in de Hoelavallei het eerste broedgeval in Israël vastgesteld; sindsdien is hij daar weer een schaarse doortrekker. De hele wereldpopulatie trekt in het najaar langs de Rode Zee naar Oost-Afrika en keert in het voorjaar dezelfde weg terug, waarbij een deel door de Levant gaat. In het gidsgebied van deze gids is hij dus vrijwel uitsluitend een voorjaars- en najaarsverschijning in de Levant.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Half april tot begin mei, in de rietkragen en visvijvers van de Bet She'an-vallei, bij de Hoela en in de tuinen van Eilat. Werk op bouw en snavel en laat je niet door de grootte leiden; kijk naar de scherpe grens tussen witte borst en okerbruine flank en naar de lange vleugelpunt. Dit is geen soort die je vindt door te zoeken, maar door elke grote karekiet die je tegenkomt tien seconden langer te bekijken dan nodig lijkt.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN), en de reden staat op de kaart. In de vroege jaren negentig zijn de Mesopotamische moerassen door dijken en kanalen bijna volledig drooggelegd; van een van de grootste moerasgebieden van de Oude Wereld bleef nog geen tiende over, en met het riet verdween het broedgebied van deze soort. Na 2003 zijn de dijken doorgestoken en is een flink deel opnieuw onder water gezet — in 2016 kwamen de Ahwar zelfs op de Werelderfgoedlijst — maar het herstel is broos. Stuwdammen stroomopwaarts, langdurige droogte en verzilting laten de moerassen in slechte jaren opnieuw droogvallen, en in de winterkwartieren aan de Oost-Afrikaanse kust verdwijnt het kuststruweel waarin hij overwintert. De soort wordt daarmee aan weerszijden van de Rode Zee bedreigd, in het broedgebied en in de winterkwartieren.

Wetenschappelijke naam

Acrocephalus griseldis | (Hartlaub, 1891)

Hartlaub beschreef de soort in 1891 als Calamoherpe griseldis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. griseldis komt vermoedelijk van het Latijnse griseus 'grijs', maar de afleiding blijft onzeker. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nguru in Tanzania.