Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Balkanbergfluiter
Balkanbergfluiter | Phylloscopus orientalis
Eastern Bonelli's Warbler | Mosquitero oriental
De balkanbergfluiter is de oostelijke tegenhanger van de bergfluiter en wordt sinds de jaren negentig algemeen als aparte soort behandeld. Op beeld zijn de twee vrijwel niet te scheiden; op roep kost het een halve seconde. Wie in mei door een eikenbos op de zuidoostelijke Balkan loopt, hoort hem overal, en ziet hem bijna nooit.
Geluid
De zang lijkt sterk op die van de bergfluiter en is dus geen betrouwbaar kenmerk: een korte, droge ratel van één tot twee seconden op één toonhoogte, srrrrrrr, die van dichtbij in losse tikjes uiteenvalt. Gemiddeld klinkt hij iets trager, harder en hoekiger dan bij de bergfluiter, met beter hoorbare afzonderlijke tonen en een zilverige nagalm, maar het verschil is te klein om er in het veld op te varen. De roep is dat wél, en die is beslissend: een hard, kort, vlak en afgebeten tsjip, dat eerder aan een huismus of aan een tikkende zwartkop doet denken dan aan een boszanger, en waar niets stijgends of tweelettergrepigs in zit. Een enkele roep volstaat. De vogels zingen vanaf hun aankomst eind april tot in de eerste helft van juli, het hardnekkigst in de ochtenduren, hoog in de eiken en vaak vanaf een dorre tak boven de kroon.
Opname: Max Karlsson — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Bleke, koud gekleurde boszanger met grijsbruine tot grijze bovendelen en zuiver witte onderdelen, zonder geel op keel, borst of flank. De stuit is geelgroen en contrasteert met de doffere rug; op de gevouwen vleugel zit een geelgroen paneel, maar minder uitgesproken dan bij de bergfluiter. Het gezicht is blank en open, met een korte, onduidelijke lichte wenkbrauwstreep, een smalle witte oogring en een groot donker oog. De snavel is verhoudingsgewijs lang en zwaar, met een oranje ondersnavel; de poten zijn bruin tot grijsbruin. Geslachten gelijk. In het najaar oogt de vogel iets bruiner en warmer, maar hij blijft altijd wit van onderen.
Verwarringssoorten
Alles draait om de bergfluiter — zie ook de soortpagina van de bergfluiter. De balkanbergfluiter is gemiddeld grijzer en witter, met minder groen in vleugel en stuit, een iets zwaardere snavel en vaak een net iets langere vleugelpunt, maar elk van die kenmerken varieert en op een enkele vogel beslist geen van alle. Waar de arealen elkaar raken, in het noordwesten van de Balkan en langs de Adriatische kust, is een zwijgende vogel simpelweg niet op naam te brengen. De stem doet dat wel, meteen: een hard, eenlettergrepig, vlak tsjip tegenover het zachte, tweelettergrepige hoe-iet van de bergfluiter. Verder is de fluiter groter en veel geler op keel en borst, en heeft de tjiftjaf donkere poten, geen gele stuit en een tikkende staart. In Iberië geldt: elke grijze bergfluiter-achtige is bergfluiter zolang stem of DNA niet anders zeggen, want de balkanbergfluiter is daar een extreme zeldzaamheid.
Leefgebied
Droog, open loofbos op hellingen, in het bijzonder eikenhakhout met weinig ondergroei — daar zit het zwaartepunt. Verder gemengd bos, oude dennenbossen in het zuiden van het areaal, boomrijke maquis (hoog, dicht en hardbladig mediterraan struweel op zure bodem) met verspreide eiken en jeneverbessen, en beboste bergflanken tot ongeveer 1800 meter. In het noorden van het verspreidingsgebied kiest hij lager gelegen, opener bos met wat struiklaag, in het zuiden juist beboste berghellingen. Het nest ligt op de grond, in de strooisellaag tegen een helling.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van de Dinarische Alpen over de Balkan en heel Anatolië tot in de Kaukasus en de Levant. De grootste aantallen zitten op de zuidoostelijke Balkan en in Anatolië, met zwaartepunten onder meer in de Oost-Rodopen, de dalen van de Struma en de Mesta, de Strandzja en de Sakar. Overwintert in Noordoost-Afrika. Aankomst eind april, vertrek al vanaf juli. Buiten dit broedgebied is hij een zeer zeldzame, niet-jaarlijkse dwaalgast in West- en Noordwest-Europa, met een handvol gevallen in mei en september; identificatie blijft daar vaak afhankelijk van een geluidsopname, want de zang lijkt sterk op die van verwante bladkoningen.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Half mei, in een eikenbos op een zuidhelling in de Oost-Rodopen, de Peloponnesos of Lesbos, kort na zonsopgang. Zoek eerst het geluid, niet de vogel: het droge ratelen komt van hoog uit de kroon en herhaalt zich elke tien seconden. Wacht daarna geduldig op de roep, want alleen die maakt de waarneming hard, en neem hem zo mogelijk op — een spectrogram van een tsjip is in Zuidoost-Europa buiten de kernarealen het enige harde bewijs dat een commissie aanvaardt. Op Lesbos en langs de noordelijke Egeïsche kust zitten de dichtste populaties van het Europese deel van het areaal.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een groot en aaneengesloten areaal en een populatie die op de Balkan als stabiel geldt. Aandachtspunten zijn de omvorming van oud eikenhakhout naar dichte, gelijkjarige opstanden, bosbranden op de zuidelijke Balkan en in Anatolië en, zoals bij alle transsaharatrekkers, de omstandigheden in de overwinteringsgebieden — hier de droge savannes van Noordoost-Afrika en de Sahel, waar begrazing en houtkap de boomlaag uitdunnen.
Wetenschappelijke naam
Phylloscopus orientalis | (Brehm, 1855)
Brehm beschreef de soort in 1855 als Phyllopneuste orientalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. orientalis is Latijn voor 'oostelijk', naar het oostelijke verspreidingsgebied tegenover dat van de bergfluiter. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Wadi Halfa in Soedan.



