Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Zwartsnavelkoekoek
Zwartsnavelkoekoek | Coccyzus erythropthalmus
Black-billed Cuckoo | Cuclillo Piquinegro
De zwartsnavelkoekoek is de teruggetrokkenste van de drie Noord-Amerikaanse koekoeken: effen bruin van boven, wit van onder, met een geheel zwarte snavel en een rode ring om het oog. Hij eet rupsen bij honderden tegelijk en volgt met zijn broedplaatsen de uitbraken van spinselmot en ringelrups. Van alle vogels van het oosten is hij een van de sterkst achteruitgaande.
Geluid
De roep is een zacht, hol koe-koe-koe in groepjes van twee tot vier tonen, laag en gelijkmatig van hoogte, zonder de vertraging waarmee de geelsnavelkoekoek eindigt. Hij klinkt eerder als een verre duif dan als een koekoek en draagt ver door dicht loof. In het broedseizoen roept hij ook 's nachts, uren achtereen, en dat is vaak de enige manier om te weten dat hij er zit. Bij onrust maakt hij een kort, dof geklop dat na een paar tonen ophoudt.
Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · Cavan-Monaghan (near Millbrook), Peterborough County, Ontario, Canada · xeno-canto
Herkenning
Slank en langgestaart, van boven gelijkmatig grijsbruin zonder warme tint, van onderen wit tot vuilwit. De snavel is geheel donker, ook de ondersnavel, en om het oog ligt een rode ring die bij oude vogels het duidelijkst is. De onderstaart is grauw met alleen smalle witte topjes aan de staartveren, niet de brede witte blokken van zijn verwant. In de vleugel ontbreekt roodbruin, al kan er in vlucht een vage warme zweem opvallen. Zittend houdt hij een gebogen, wat bultige houding aan; jonge vogels hebben een geelachtige in plaats van rode oogring en een bleker gezicht.
Verwarringssoorten
De geelsnavelkoekoek is de belangrijkste verwarringssoort: die heeft een gele ondersnavel, een gele oogring, een roodbruin vleugelvlak en van onderen brede witte staartblokken. De mangrovekoekoek heeft een zwart oogmasker en een okerkleurige buik en beperkt zich tot Zuid-Florida en de Caraïben. Jonge geelsnavelkoekoeken in het najaar hebben een doffere snavel en een minder geblokte staart en lijken het meest op deze soort; kijk dan naar de staartonderzijde, waar de smalle witte topjes doorslaggevend zijn.
Leefgebied
Loofbos en gemengd bos met dichte struiklaag, verlaten akkerland dat is dichtgegroeid met esp, berk en meidoorn, en wilgenstruweel langs water. Hij zit gemiddeld in groter en geslotener bos dan de geelsnavelkoekoek en vaker aan de rand van moerassige plekken. Verruigde boomgaarden en dichte houtwallen gebruikt hij ook, maar open akkerland en kaal weiland mijdt hij. In de winter leeft hij in bos en struweel van tropisch Zuid-Amerika.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van midden en zuidelijk Alberta oostwaarts tot Quebec en de Maritieme Provincies, en in de Verenigde Staten van Montana tot in het zuidoosten van Virginia, met uitlopers zuidwaarts in de Appalachen. Hij trekt 's nachts en over grote afstand en overwintert in Colombia, west-Venezuela en centraal Peru, ver buiten deze kaart; op weg daarheen trekt hij over de Golf en de Caraïben en verschijnt hij in het najaar op de eilanden. Het aantal broedparen fluctueert sterk van jaar tot jaar met het aanbod van rupsen, zodat een streek het ene jaar bezet en het volgende leeg kan zijn.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Luister in juni in het donker: in een stille nacht bij een dichtbegroeid bosperceel is het zachte koe-koe-koe vaak het enige bewijs dat de soort er broedt. Overdag loont het bij een rupsenplaag terug te komen op dezelfde plek, want dan zitten de vogels laag en blijven ze langer stil zitten dan gewoonlijk. Zoek naar de rode oogring; die is bij goed licht op korte afstand zichtbaar.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC). De wereldpopulatie wordt op ongeveer 880.000 vogels geschat en nam tussen 1970 en 2019 met ruim twee procent per jaar af, samen bijna twee derde van het bestand. Bestrijdingsmiddelen verminderen het aanbod aan rupsen waarvan hij afhankelijk is, en op de trek eist de botsing met hoge bouwwerken slachtoffers. Daarbij komt verlies en versnippering van struweel en jong bos, zowel in het broedgebied als in de overwinteringsgebieden.
Wetenschappelijke naam
Coccyzus erythropthalmus | (Wilson, 1811)
Wilson beschreef de soort in 1811 als Cuculus erythropthalma, in het vierde deel van zijn American Ornithology; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coccyzus werd in 1816 door Vieillot ingevoerd, naar het Griekse kokkuzo ('roepen als een koekoek'). De soortnaam betekent 'roodoog', van eruthros ('rood') en ophthalmos ('oog'); Wilson liet er een letter uit weg en die schrijfwijze is als oorspronkelijke gehandhaafd. Het beschreven exemplaar kwam van bij Philadelphia in Pennsylvania.



