Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Zwarte zeekoet

Zwarte zeekoet | Cepphus grylle

Black Guillemot | Arao aliblanco

De zwarte zeekoet is de enige alk die het hele jaar binnen zicht van de kust blijft: gitzwart, met een groot ovaal wit veld op de vleugel en twee knalrode poten die hij bij het baltsen nadrukkelijk laat zien. Hij broedt niet in dichte kolonies op kliffen maar met een paar paren tussen de rotsblokken, van de Golf van Maine tot de ijskust van Alaska. In winterkleed is hij bijna wit en daarmee op het eerste gezicht een andere vogel.

Zwarte zeekoet (Cepphus grylle)
Foto: Boaworm — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zijn stem is een dun, hoog gefluit dat over stil water ver draagt: een aangehouden psieeee dat aan een piepend scharnier doet denken, meestal in reeksen en vaak door meerdere vogels tegelijk. Bij de balts op het water gaat dat over in een sissend, trillend gefluit, waarbij de vogels de bek wijd opensperren en de vuurrode keelholte tonen. Bij de nestspleet klinkt een korter, scherper piepje, en soms een zacht knorren dat alleen van dichtbij te horen is. Buiten de broedtijd, op open water, zwijgt hij vrijwel altijd.

Luister: ZangXC898562

Opname: Jens Kirkeby — CC BY-NC-SA 4.0 · Hirsholmene, Frederikshavn, Frederikshavn Municipality, Denmark · xeno-canto

Herkenning

In broedkleed geheel roetzwart, op één na: een groot, scherp begrensd wit ovaal midden op de bovenvleugel, dat in de vlucht als een witte vlek voor- en achteruit schuift. De poten en zwemvliezen zijn koraalrood, de bek is zwart en spits, en de mondhoek is bij een geopende bek even rood als de poten. Man en vrouw zijn niet te onderscheiden. In winterkleed keert het beeld om: kop, hals en onderdelen worden wit, de bovendelen grijs met een fijne zwart-witte marmering, en alleen het witte vleugelveld blijft staan. Jonge vogels lijken op winterkleed maar hebben het witte veld doorschoten met donkere veertjes, waardoor het vuil en gevlekt oogt. De vlucht is laag, snel en snorrend, met de rode poten zichtbaar achter de korte staart.

Verwarrings­soorten

In de Atlantische Oceaan is geen enkele andere alk zwart met een groot wit vleugelveld; wie dat kenmerk ziet, is klaar. De duifzeekoet (Cepphus columba) van de Grote Oceaan is de zustersoort en lijkt sprekend, maar heeft het witte veld doorsneden door een donkere wig; hun arealen raken elkaar alleen bij de Beringstraat en overlappen nauwelijks, dus in het veld is de vraag zelden aan de orde. Vogels in winterkleed lijken meer op andere soorten: zeekoet (Uria aalge) en kortbekzeekoet (Uria lomvia) zijn dan ook wit van onderen, maar veel groter, met een egaal donkere rug en zonder wit op de vleugel. Een verre, lichte zwarte zeekoet in de winter wordt ook wel voor een fuut of een jonge zaagbek aangezien; het korte, gedrongen silhouet met de dikke hals en de snorrende vleugelslag helpen dan meer dan de kleur.

Leefgebied

Rotskusten, keienstranden, lage rotseilanden en de voet van kliffen, waar een spleet of een holte onder een rotsblok boven de vloedlijn ligt. Hij foerageert vlakbij huis, in ondiep water van hooguit dertig meter, boven een rotsige of met wier begroeide bodem waar hij tussen de stenen naar grondelvissen zoekt. In het hoge noorden is hij aan het zee-ijs gebonden: hij vist bij scheuren en wakken en langs de ijsrand, waar poolkabeljauw onder het ijs hangt. Diep water ver uit de kust, zandstranden en zoete binnenwateren gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt rondom de noordpool. In Noord-Amerika van de Golf van Maine — zijn zuidgrens aan deze kant van de oceaan — noordwaarts langs Nova Scotia, New Brunswick, de Golf van Sint-Laurens, Newfoundland en Labrador, langs de Hudsonbaai tot bij Churchill, door de Canadese Arctische Archipel en heel Groenland, en westwaarts langs de Beaufort- en Tsjoektsjenzeekust van Yukon en Alaska. Anders dan de meeste alken trekt hij niet ver: vogels uit het zuiden blijven het hele jaar bij de kolonie en bezoeken hun spleet zelfs midden in de winter. Vogels uit het hoge noorden schuiven met het ijs mee en overwinteren bij wakken en langs de ijsrand, soms honderden kilometers van hun broedplaats. Ten zuiden van Maine is hij in de winter een schaarse gast langs de kust van New Hampshire tot Rhode Island.

  • Jaarrond
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Dit is de alk die je zonder boot kunt zien. Zoek van mei tot juli vanaf een havenhoofd, een pier of een rotspunt in Maine of de Canadese Maritieme Provincies, in het eerste uur na zonsopgang: dan liggen de paren in kleine groepjes op het water voor hun nestspleet, jagen ze elkaar achterna en steken ze de rode poten omhoog. Let bij een wegvliegende vogel op het witte veld op de vleugel — dat is van veraf al beslissend. In de winter loont het havens, pieren en de rand van drijfijs af te speuren op een klein, bijna wit vogeltje met een zwarte vleugelstreep.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer 750.000 broedvogels geschat en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Op broedeilanden zijn ingevoerde nertsen en ratten de grootste bedreiging, en als kustvogel die vlak bij de wal vist is hij bij een olieramp een van de eerste slachtoffers; kieuwnetten eisen daarnaast hun deel. In het Amerikaanse noordpoolgebied is de soort een van de duidelijkste graadmeters van het krimpende zee-ijs geworden: waar de ijsrand in de zomer te ver uit de kust komt te liggen, halen de ouders de poolkabeljauw niet meer, en ijsberen die door het ontbrekende ijs op het land blijven plunderen de nesten tussen de rotsblokken.

Wetenschappelijke naam

Cepphus grylle | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alca grylle, bij de alken; omdat ze later in Cepphus is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cepphus werd in 1769 ingevoerd door Pallas en gaat terug op het Griekse kepphos, de naam van een bleke zeevogel bij de oude schrijvers. grylle is geen Latijn maar een streeknaam: het woord dat Linnaeus in 1741 op Gotland voor deze vogel hoorde. Als typelocatie gaf hij de zeeën van Noord-Europa op; die is later beperkt tot Zweden.