Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Zwaluwstaartkoningstiran
Zwaluwstaartkoningstiran | Tyrannus forficatus
Scissor-tailed Flycatcher | Tijereta Rosada
De zwaluwstaartkoningstiran is te herkennen aan de bleekgrijze kop, de zalmroze flanken en vooral aan de lange, diep gevorkte staart. Hij broedt op de open vlakten van de zuidelijke Great Plains, waar hij op draden en hekpalen zit, en overwintert van Zuid-Mexico tot Midden-Amerika. Hij is de staatsvogel van Oklahoma.
Geluid
Het geluid is een reeks scherpe, hoge kek- en pik-notities die bij opwinding tot een snel ratelend gekwetter aaneenrijgen — hetzelfde harde register als bij de andere koningstirannen. Bij de baltsvlucht klimt het mannetje tientallen meters, duikt in een zigzag omlaag en maakt daarbij koprollen, met een aanhoudend snel gekwetter erbij. Op najaarsslaapplaatsen roepen tientallen vogels door elkaar.
Opname: Terry Davis — CC BY-NC-SA 4.0 · 10 (near Bossier City), Bossier Parish, Louisiana, United States · xeno-canto
Herkenning
Kop, nek en rug zijn bleekgrijs, de onderdelen wit met een zalmroze waas op de flanken, de buikzijde en de onderstaartdekveren; de ondervleugel draagt een rode tot zalmkleurige vlek die in de vlucht oplicht. De vleugels zijn donkergrijs. De staart is zwart met witte buitenvanen, lang en diep gevorkt: bij volwassen mannetjes beslaat hij ongeveer twee derde van de totale lengte, bij vrouwtjes tot een derde korter. Een verborgen rode kruinvlek komt alleen bij opwinding tevoorschijn. Jonge vogels hebben een veel kortere staart en missen de roze waas.
Verwarringssoorten
De arkansaskoningstiran heeft dezelfde grijze kop en zwarte staart met witte buitenranden, maar een korte rechte staart en een gele buik in plaats van roze flanken. Jonge zwaluwstaartkoningstirannen met korte staart lijken daardoor het meest op andere soorten: let dan op de witte in plaats van gele onderdelen en op de zalmkleurige ondervleugel. De vorkstaartkoningstiran (Tyrannus savana), een dwaalgast uit de tropen, heeft een even lange staart maar een zwarte kap en een witte keel zonder roze.
Leefgebied
Open land met verspreide bomen en struiken: prairie, savanne, begraasd weiland, akkerranden, bermen, golfbanen en parken. Hij heeft hoge uitkijkposten nodig — draden, hekpalen, boomtoppen — en een losse boom of hoge struik voor het nest, dat ook op telefoonpalen en andere bouwsels wordt gebouwd. Aaneengesloten bos gebruikt hij niet. In het winterkwartier zit hij in open landschap, weiden en plantages.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt in het zuidelijke midden van de Verenigde Staten: Texas, Oklahoma, Kansas, Arkansas, West-Louisiana, Missouri, Nebraska en Noordoost-New Mexico. De trek verloopt door Texas en het oosten van Mexico; het winterkwartier loopt van Zuid-Mexico via Guatemala en Honduras tot in Nicaragua en verder zuidelijk. In Zuid-Florida overwintert een kleine groep. Buiten het areaal duikt de soort geregeld op tot in Zuid-Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in mei of juni langs landwegen in Oklahoma en Noord-Texas en kijk naar de draden: hij zit meestal alleen of in paren op ooghoogte langs de weg. In augustus en september verzamelen zich troepen van honderden vogels op gemeenschappelijke slaapplaatsen — dan is het laatste uur voor zonsondergang de beste kans.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 9,5 miljoen vogels, waarvan ruim negentig procent in de Verenigde Staten. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2014 een afname van ongeveer 31 procent zien; de soort staat niet op een aandachtslijst en geldt bij de IUCN als niet bedreigd (LC). Het omzetten van weiland en savanne in aaneengesloten akkerbouw en het verdwijnen van losse bomen verkleinen het aanbod aan nestplaatsen; beplanting langs wegen en om erven werkt plaatselijk de andere kant op.
Wetenschappelijke naam
Tyrannus forficatus | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Muscicapa forficata; omdat ze later naar Tyrannus verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Tyrannus is Latijn voor 'alleenheerser', naar het verdrijven van veel grotere vogels uit het broedterritorium. Het soortdeel forficatus komt van forfex, 'schaar', naar de staartvorm — dezelfde beeldspraak als in het Engelse Scissor-tailed Flycatcher en het Spaanse Tijereta. Het beschreven exemplaar kwam uit Nova Hispania, het huidige Mexico.






