Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Zeekoet

Zeekoet | Uria aalge

Common Murre | Arao común

De zeekoet is de talrijkste alk van het noordelijk halfrond en de laatste alk van deze gids: een rechtop staande zwart-witte zeevogel die zonder nest op smalle klifrichels broedt, schouder aan schouder in rijen van duizenden. Hij broedt aan beide oceanen en komt ook in Europa voor; hier gaat het om het Noord-Amerikaanse deel van dat areaal. In Alaska stierf tussen 2014 en 2016 ongeveer de helft van alle zeekoeten tijdens een langdurige hittegolf in zee.

Zeekoet (Uria aalge)
Foto: DickDaniels — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie is hij luidruchtig, op zee vrijwel stil. Het grondgeluid is een laag, rollend, keelachtig arrrr, met opgeheven snavel uitgestoten; uit duizenden kelen tegelijk wordt dat een aanhoudend gebrom dat kilometers over het water draagt. Bij gedrang op de richel gaat het over in een schor, klagend ah-ah-arrr, vaak met open snavel en gestrekte hals. Het jong dat in de schemering van de klif springt roept een hoog, doordringend wiel-ie wiel-ie, waarop het mannetje beneden op zee antwoordt; aan die twee stemmen houden vader en jong elkaar weken later op open zee nog vast.

Luister: ZangXC1019244

Opname: Sven Normant — CC BY-NC-SA 4.0 · Hornoya, Vardø kommune, Finnmark, Norway · xeno-canto

Herkenning

Groot en zwaar voor een alk, met een lange, spitse, rechte snavel, een korte staart en smalle, spits toelopende vleugels. In broedkleed zijn kop, hals en bovenzijde roetzwart tot donker chocoladebruin en is de onderzijde wit, met een scherpe grens laag op de borst. In winterkleed worden keel en wang wit en blijft er één duidelijke zwarte streep over die witte wang staan, van het oog naar achteren. Een deel van de Atlantische vogels is 'gebrild': een smalle witte oogring met een witte streep naar achteren, in Newfoundland bij ongeveer een op de tien vogels en noordelijker vaker. Man en vrouw zien er gelijk uit; jonge vogels lijken op winterkleedvogels maar hebben een korter, fijner snaveltje. De vlucht is laag en snel met snorrende slagen en zonder zweven; op het water ligt hij hoog, met de snavel iets omhoog.

Verwarrings­soorten

De kortbekzeekoet (Uria lomvia) heeft een kortere, dikkere snavel met een lichte streep langs de snijrand van de bovensnavel, een spitsere zwarte punt op de borst, en mist in winterkleed juist de zwarte streep over de witte wang. De alk (Alca torda) heeft een hoge, zijdelings afgeplatte zwarte snavel met een witte dwarsstreep en een lange spitse staart die op het water schuin omhoog wijst. Aan de Grote Oceaan is de duifzeekoet (Cepphus columba) veel kleiner, met knalrode poten en grote witte vleugelvlekken. Op afstand op zee wordt een zwemmende zeekoet met jong verward met een kleine alk; de lange, dolkvormige snavel maakt het verschil, want geen enkele kleine alk heeft die.

Leefgebied

Hij broedt op smalle richels van steile zeekliffen, op vlakke rotskoppen van eilanden en op zeestapels, altijd op plekken waar vos, rat of mens niet bij kan. Een nest maakt hij niet: het ene ei ligt op de kale steen, en de peervorm ervan zorgt dat het bij een duw in een boog draait in plaats van van de richel te rollen. De rest van het jaar leeft hij op zee, meestal boven het continentaal plat, waar koud en voedselrijk water kleine scholenvis bijeendrijft. Beschutte binnenbaaien, zandstranden en zoet water gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Aan de Grote Oceaan broedt hij van de Beringzee en de Aleoeten langs de kust van Alaska zuidwaarts via Brits-Columbia, Washington en Oregon tot Midden-Californië; de kolonies van de kust van Oregon en van de Farallon-eilanden zijn de grootste ten zuiden van Alaska. Aan de Atlantische kant zit hij in Newfoundland en Labrador — Funk Island alleen al telt honderdduizenden paren — in de Golf van Sint-Laurens, en in klein aantal in Zuidwest-Groenland; op Matinicus Rock in Maine broeden sinds kort weer enkele paren, waar de soort een eeuw lang weg was. Buiten Noord-Amerika broedt hij rond de hele noordelijke Atlantische Oceaan, van IJsland en de Britse eilanden tot Noorwegen, en in Noordoost-Azië. Trekken doet hij nauwelijks: de vogels verlaten de klif en verspreiden zich zwemmend en vliegend over het plat, en blijven waar het water open blijft.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Van eind april tot in juli is een kolonie de zekerste plek: Cape St. Mary's in Newfoundland, waar je vanaf het vasteland op ooghoogte naast de rots staat, de bootvaart naar de Farallon-eilanden bij San Francisco, of de kliffen van Yaquina Head in Oregon, waar een parkeerplaats uitkijkt op duizenden vogels. Kom in de vroege ochtend, als de vogels van zee terugkomen met een enkele vis dwars in de snavel. Na half augustus is de richel leeg en zoek je hem alleen nog vanaf een boot of vanaf een kaap bij aanlandige wind.

Staat van instandhouding

Wereldwijd gaat het om enkele miljoenen paren en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, maar het beeld in Noord-Amerika is somber. Tijdens de zeehittegolf van 2014 tot 2016 verhongerden in Alaska naar schatting vier miljoen zeekoeten, ongeveer de helft van de vogels daar; tien jaar later is van herstel nog niets te zien. Olie op zee en verdrinking in kieuwnetten kosten elk jaar vogels, en in Newfoundland en Labrador worden zeekoeten nog altijd legaal bejaagd — de enige georganiseerde zeevogeljacht van Noord-Amerika.

Wetenschappelijke naam

Uria aalge | (Pontoppidan, 1763)

De Deense bisschop Erik Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Colymbus aalge, bij de duikers; omdat ze later in Uria is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Uria werd in 1760 ingevoerd door Brisson en gaat terug op het Oudgriekse ouria, de naam van een watervogel bij Athenaeus. aalge is geen Latijn maar een oud Deens woord voor alk, dat Pontoppidan ongewijzigd overnam. Als typelocatie gaf hij IJsland op.