Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Witvoorhoofdtiran
Witvoorhoofdtiran | Myiodynastes luteiventris
Sulphur-bellied Flycatcher | Bienteveo Ventriazufrado
De witvoorhoofdtiran is de enige zwaar gestreepte tiran die in de Verenigde Staten broedt, in de plataancanyons van Zuidoost-Arizona. Hij arriveert er later dan bijna elke andere zomervogel en verdwijnt alweer in september, op weg naar de oostelijke Andesvoet.
Geluid
De roep is een hoog, piepend, tweelettergrepig geluid dat aan een piepend wagenwiel of een knijpspeeltje doet denken; het paar roept vaak in een luid duet, waardoor het geluid ver draagt. Daarnaast klinken tikkende, trommelende notities en een zachtere zang van het mannetje. Voor een soort die in dicht kroondak verborgen blijft, is dat geluid het eerste en meestal het enige teken van aanwezigheid.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Portal, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Bovendelen olijfbruin met donkere strepen; de onderdelen zijn bleek zwavelgeel met brede, grove zwarte strepen op de borst en dunnere strepen op flanken en zijden. De kop is gestreept: een witachtig voorhoofd, een donker masker door het oog en een donkere baardstreep langs de witte keel. Tussen de kruinveren ligt een verborgen kanariegele vlek. Kenmerkend is de kaneelroodbruine staart met donkere veerschachten, die als een warme streep opvalt zodra de vogel wegvliegt. De snavel is zwaar en donker.
Verwarringssoorten
Binnen het gidsgebied is de combinatie van grove borststrepen en roestrode staart uniek. Zuidelijker overlapt hij met de gestreepte tiran, zijn zustersoort: die heeft een bleke snavelbasis, fijnere en minder contrastrijke borststrepen en een minder eenkleurig rossige staart, en roept een schorre, lage reeks in plaats van het hoge gepiep. De bonte tiran, een zeldzame dwaalgast, is kleiner, heeft een zwarte kruin met witte wenkbrauw, veel fijnere strepen en een donkere staart met een smalle roestzoom. De grote kiskadie is effen geel en bruin, zonder strepen.
Leefgebied
In het noorden van het areaal beperkt tot beekbegeleidende canyonbodems met hoge Arizona-platanen, walnoot en esdoorn, meestal tussen 1200 en 1800 meter in de Madrean sky islands. Hij broedt in grote natuurlijke holtes, vooral in platanen, 6 tot 15 meter boven de grond, en neemt daarbij nestholtes van monnikskaptirannen en gouden grondspechten over, ook als daar al een nest met eieren in ligt. Zuidelijker gebruikt hij loofbos en galerijbos in tropische en subtropische zone; in het overwinteringsgebied rivierbos en opslag.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Trekvogel over lange afstand. Het broedgebied loopt van Zuidoost-Arizona en het uiterste zuidwesten van New Mexico door de Sierra Madre Occidental naar het zuiden, en langs de oostzijde van Mexico over het Yucatán-schiereiland en Midden-Amerika tot Costa Rica. In Arizona arriveren de vogels eind mei of begin juni en vertrekken ze in september. De winter brengt de soort door op de oostelijke Andeshelling, van Noord-Ecuador door Peru tot Noord-Bolivia — buiten het gidsgebied.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Juni tot begin augustus in Cave Creek Canyon, Madera Canyon of Ramsey Canyon geeft de grootste kans. Zoek hem niet met het oog maar met het oor: hij zit meestal stil en hoog in het gesloten kroondak van de platanen, en het piepende duet van een paar verraadt de plek. Als hij wegvliegt, is de roestrode staart het kenmerk dat blijft hangen.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC), met een stabiele populatie van meer dan twee miljoen volwassen vogels. In de Verenigde Staten is het aantal stabiel of licht stijgend, maar het broedgebied is klein en volledig afhankelijk van de oevercanyons met oude platanen. Verlies van grondwater en van holtebomen in die canyons raakt de soort direct, omdat ze zelf geen holte kan uithakken.
Wetenschappelijke naam
Myiodynastes luteiventris | Sclater, 1859
Philip Lutley Sclater beschreef de soort in 1859 onder de naam die ze nog draagt; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. Het geslacht Myiodynastes komt van het Griekse muia 'vlieg' en dunastes 'heerser'. De soortnaam luteiventris is Latijn: luteus 'geel' en venter 'buik', dus 'geelbuik'. Het type werd later vastgelegd op Orizaba in Veracruz, Mexico. De Nederlandse naam wijst op het bleke voorhoofd, de Engelse en Spaanse op de gele buik.




