Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Vale lijster
Vale lijster | Turdus obscurus
Eyebrowed Thrush | Zorzal cejudo
De vale lijster is een Siberische lijster met een grijze kop, een witte wenkbrauwstreep en oranje flanken. In Noord-Amerika is hij een gast uit het westen: op de Aleoeten en de eilanden in de Beringzee duikt hij vrijwel jaarlijks op, vooral in mei, terwijl het vasteland hooguit enkele losse waarnemingen kent.
Geluid
De zang is een eenvoudige reeks ijle fluittonen, twee of drie noten per motief, met stiltes ertussen; ze doet denken aan die van de grote lijster, maar is korter en hoger. De roep is een dun, langgerekt tsiep dat trekkende vogels 's nachts laten horen, en bij onrust een snel ratelend tsjuk-tsjuk-tsjuk. In Alaska zwijgt de soort meestal; de meeste waarnemingen daar berusten op het uiterlijk, niet op geluid.
Opname: Ray Tsu 诸仁 — CC BY-NC-SA 4.0 · Tianlin Community, Shanghai, China · xeno-canto
Herkenning
Een lijster ter grootte van een roodborstlijster, maar slanker en met langere vleugels. De kop is grijs met een witte wenkbrauwstreep en een witte streep onder het oog, tussen twee donkere banen in; het mannetje heeft de meest contrastrijke koptekening, het vrouwtje een bruinere kop met een witte keel en fijne strepen. De bovendelen zijn egaal olijfbruin, de borst en de flanken oranje, de buik en de onderstaartdekveren wit. De snavel is donker met een gele basis; de staart is egaal, zonder witte hoeken.
Verwarringssoorten
De roodborstlijster heeft geen witte wenkbrauwstreep, een donkerder kop met een gebroken witte oogring en witte hoeken aan de staart. De koperwiek heeft ook een witte wenkbrauw, maar gestreepte onderdelen en een roestrode ondervleugel in plaats van een egaal oranje borst. De heremietlijster en de andere Catharus-dwerglijsters zijn kleiner, hebben een gevlekte borst en missen de grijze kop. Bleke roodborstlijsters buiten Alaska zijn een veelvoorkomende verwisseling: let dan op het ontbreken van witte staarthoeken.
Leefgebied
Broedt in dicht naaldbos en berkentaiga van Siberië, vaak in vochtige dalbossen met ondergroei. Overwintert in bosranden, plantages en tuinen van Zuidoost-Azië. De vogels die Alaska bereiken zitten in het lage struweel en op de grasvelden van eilanden zonder bomen, waar ze op de grond naar insecten en wormen zoeken en bij de weinige struiken dekking zoeken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Centraal-Siberië oostwaarts tot Kamtsjatka, Sachalin en Noord-Japan; de winter wordt doorgebracht van Zuid-China en Indochina tot de Filipijnen en Indonesië. In het gidsgebied gaat het uitsluitend om zwerfvogels aan de westrand van Alaska: Attu, Shemya en de overige westelijke Aleoeten, St. Paul en St. George in de Pribilofeilanden, en Sint-Laurenseiland. Het zwaartepunt ligt in de tweede helft van mei, met een kleinere najaarsstroom in september. Van het vasteland van Alaska en van de westkust verder zuidwaarts zijn slechts enkele aanvaarde gevallen bekend.
Waar en wanneer kijken
De kans op deze soort hangt aan één plek en één periode: een eiland in de westelijke Aleoeten of de Beringzee in de laatste week van mei, bij aanhoudende westenwind. Zoek vogels die laag in het kruipwilgstruweel bij nederzettingen foerageren, en bekijk elke lijster in vlucht van achteren: de egale staart zonder witte hoeken sluit de roodborstlijster meteen uit.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie is groot en wijdverspreid over de Siberische taiga; de IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC) en gaat uit van een stabiele trend. Wel is de soort in delen van Zuidoost-Azië doelwit van vangst voor de vogelhandel, en verlies van overwinteringsbos speelt daar een rol. Voor het gidsgebied heeft de soort geen eigen beheerstatus, omdat er geen broedpopulatie is.
Wetenschappelijke naam
Turdus obscurus | Gmelin, 1789
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Turdus obscurus, naar de 'Dark Thrush' die John Latham in 1783 had beschreven; het exemplaar kwam uit de Siberische bossen voorbij het Baikalmeer. Omdat de soort nog altijd in het oorspronkelijke geslacht staat, gaan auteur en jaartal niet tussen haakjes. Turdus is het Latijnse woord voor lijster, obscurus betekent 'donker' of 'dof'. De Nederlandse naam wijst op de fletse kleur van de bovendelen, de Engelse en de Spaanse naam op de witte wenkbrauwstreep.



