Alle soorten › Keerkringvogels › Keerkringvogels › Roodstaartkeerkringvogel

Roodstaartkeerkringvogel | Phaethon rubricauda

Red-tailed Tropicbird | Rabijunco Colirrojo

De grootste en zwaarste van de keerkringvogels: een spierwitte zeevogel met een koraalrode snavel en twee smalle, bloedrode staartpennen die als één dunne draad achter hem aan slepen. In vers kleed heeft het wit een zachte rozige gloed, die in de loop van het jaar wegtrekt. In Noord-Amerika hoort hij bij Hawaï, waar hij op de kliffen en atollen van de hele eilandenrij broedt.

Roodstaartkeerkringvogel (Phaethon rubricauda)
Foto: Forest & Kim Starr — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In gewone vlucht zwijgt hij. Bij het nest begroet hij zijn partner met een korte, schorre kreet bij aankomst en vertrek, en wie te dicht bij de kuil komt krijgt een laag, grommend gesnauw te horen. Het luidruchtigst is de balts: mannetjes cirkelen in grote ringen boven de kliffen, zeilen, slaan dan kort en snel met de vleugels en scheren laag over het water, en stoten daarbij scherpe kakelende reeksen uit. Het jong bedelt met een ratelend gebabbel dat vanuit een spleet in de rots doorklinkt.

Luister: VluchtroepXC620173

Opname: AUDEVARD Aurélien — CC BY-NC-SA 4.0 · Tuamotus Islands, The Tuamotu and Gambier Islands, France · xeno-canto

Herkenning

Groot en zwaar gebouwd, met brede vleugels en een dikke, duifachtige romp; het kleed is vrijwel geheel wit, met alleen een korte zwarte streep door het oog, wat zwart op de vleugelboeg en zwarte schachten in de handpennen. De snavel is fel koraalrood, de poten zijn zwart. De twee middelste staartpennen zijn rood, dun en tot vijfendertig centimeter lang; op afstand lijken ze samen één draad, en tegen de zon zijn ze vaak alleen als een dunne streep te zien. Jonge vogels hebben een zwarte snavel, geen staartpennen, en zijn boven zwaar zwart gebandeerd, wat een grof geschubd beeld geeft. Het volwassen kleed komt pas in het derde jaar.

Verwarrings­soorten

De roodsnavelkeerkringvogel (Phaethon aethereus) is even groot maar heeft witte staartpennen, een duidelijke zwarte dwarsstreping over de rug en zwart in de vleugelpunt; in Hawaï is hij een grote zeldzaamheid, maar hij verschijnt daar wel bij de kolonies. De witstaartkeerkringvogel (Phaethon lepturus) is veel kleiner en lichter gebouwd, met een gele snavel en een brede zwarte schuine band over de bovenvleugel. Van veraf wordt hij voor een grote stern of een witte gent aangehouden; het onderscheid zit in de stijve, snelle vleugelslag zonder zeilen, in de geheel witte kop met alleen een oogstreep, en in de gewoonte om van grote hoogte loodrecht het water in te storten in plaats van laag over zee te bidden. Een vogel die zijn staartpennen kwijt is, blijft aan de zware bouw en de rode snavel te herkennen.

Leefgebied

Buiten de broedtijd leeft hij alleen op open oceaan, vaak duizenden kilometers uit de kust en boven water dat voor de meeste andere zeevogels te diep en te arm is. Broeden doet hij op oceanische eilanden en atollen: een ondiepe kuil in de schaduw, onder een struik als de scaevola of de zeeheliotroop, of in een spleet in een rotswand. Hij heeft een plek nodig van waaraf hij zich zo de lucht in kan laten vallen, want opstijgen vanaf vlak land lukt hem nauwelijks. Eilanden waar ratten, katten of mangoesten zijn aangekomen raakt hij kwijt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt op eilanden door de hele Indische Oceaan en het westen, midden en zuiden van de Grote Oceaan. In Noord-Amerika is dat de Hawaïaanse archipel: de grootste kolonies liggen op de noordwestelijke eilanden, met Midway en Laysan voorop, en op de hoofdeilanden broedt hij verspreid op kliffen en rotseilandjes voor de kust — onder meer bij Kilauea Point op Kauaʻi, waar hij van dichtbij te zien is. Buiten de broedtijd verspreiden de vogels zich wijd over de Grote Oceaan; voor de westkust van Noord-Amerika is hij een grote zeldzaamheid. Wereldwijd broeden zeventien- tot eenentwintigduizend paren, waarvan negen- tot twaalfduizend in Hawaï; de grootste enkele kolonie ligt op het atol Johnston.

HawaïNiihauKauaiOahuLanaiMolokaiKahoolaweMauiHawaii
  • Jaarrond
Kaartje van de archipel zelf: op de kaart van Noord-Amerika zou deze vogel een stipje linksonder zijn, en juist bij eilandsoorten gaat het om de vraag op wélke eilanden hij zit. De eilanden waar hij ontbreekt staan er grijs bij. Per eiland gemeten aan de waarnemingen van GBIF: het aantal waarnemingen van de soort gedeeld door alle vogelwaarnemingen daar, per seizoen, net als op de gewone kaart. Op Niihau en Kahoolawe wordt zo weinig gekeken dat de meting daar zwijgt en de standaardwerken het zeggen. Eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kilauea Point op Kauaʻi is de zekerste plek van het gidsgebied: tussen februari en juni cirkelen daar bij de vuurtoren dagelijks vogels langs het kliffront, laag genoeg om de rode staartpennen zonder kijker te zien. Let op de baltsvlucht, waarin de vogel boven zijn partner achteruit lijkt te wieken — een beeld dat geen andere zeevogel geeft. Op zee is hij een toevalstreffer: kijk hoog, want hij passeert vaak tientallen meters boven het water.

Staat van instandhouding

Wereldwijd geldt hij als niet bedreigd (LC), maar in Australië is hij als gevoelig aangemerkt na onverwachte afnames in enkele kolonies. Op de Hawaïaanse hoofdeilanden zijn ratten, verwilderde katten en de mangoeste de voornaamste oorzaak van mislukte nesten; de noordwestelijke eilanden zijn grotendeels vrij van roofdieren en dragen daarom het grootste deel van de populatie. Op het atol Johnston dook in 2010 de gele gekke mier op, die jongen met haar zuur kan verblinden. Lage atollen verliezen daarnaast nestplaatsen door overspoeling bij storm en door de stijgende zeespiegel.

Wetenschappelijke naam

Phaethon rubricauda | Boddaert, 1783

Pieter Boddaert gaf de soort in 1783 haar wetenschappelijke naam Phaeton rubricauda, op grond van een plaat en een beschrijving van Buffon; ze staat nog in hetzelfde geslacht, zodat auteur en jaartal zonder haakjes staan. Boddaert schreef de geslachtsnaam met één h; de geldige spelling is Phaethon, naar het Griekse phaethon, 'de stralende', de zoon van de zonnegod. rubricauda is samengesteld uit het Latijnse ruber, 'rood', en cauda, 'staart' — de twee rode draden die de soort van alle andere onderscheiden. De typelocatie is Mauritius, dat destijds Isle de France heette.