Alle soorten › Zangvogels › IJsgorzen en sneeuwgorzen › Roodhalsgors
Roodhalsgors | Calcarius ornatus
Chestnut-collared Longspur | Escribano collarejo
De roodhalsgors is de kleinste van de vier ijsgorzen en de enige die geheel binnen de prairie van de noordelijke Great Plains broedt. Het mannetje in zomerkleed heeft een zwarte buik, een gele keel en een kastanjebruine nekband. De soort is sinds de jaren zestig sterk afgenomen en staat als kwetsbaar (VU) op de Rode Lijst.
Geluid
Het mannetje zingt in een zangvlucht: hij klimt tot vijftien meter, houdt de vleugels omhoog en zweeft zingend omlaag. De zang is een korte, snelle warrel van een paar seconden, dalend aan het eind, met een schrapend karakter. De roep is een tweelettergrepig tsjie-die of kit-tel, in de winter voortdurend te horen boven trekkende groepen; die roep is het beste kenmerk om de soort tussen andere gorzen in een grasveld op te merken.
Opname: Matt Wistrand — CC BY-NC-SA 4.0 · BLM grasslands, north of Glasgow, Valley County, Montana, United States · xeno-canto
Herkenning
Compact gebouwd, met een grote kop en een korte staart. Het broedmannetje is zwart op borst en buik, met een gele keel, een zwarte kruin, een wit gezicht en een kastanjebruine band over de nek. De staart is grotendeels wit met een zwarte driehoek in het midden — in vlucht het meest bruikbare kenmerk. Het vrouwtje en de wintervogel zijn licht zandbruin en fijn gestreept, met vaak nog wat kastanjebruin in de nek en dezelfde witte staart met donkere punt.
Verwarringssoorten
McCowns ijsgors heeft in vlucht een omgekeerd T-patroon in de staart — een zwarte eindband over de hele breedte — tegenover de zwarte middendriehoek van de roodhalsgors, en heeft een zwaardere, roze snavel. De bonte ijsgors is warmer okerkleurig, langer van staart en heeft witte vlekjes op de schouder. De ijsgors is groter, met veel roodbruin in de vleugel en een luidere, ratelende vlucht. Wintergroepen bestaan vaak uit meerdere soorten door elkaar; de roep en het staartpatroon scheiden ze sneller dan het verenkleed.
Leefgebied
Kortgras- en gemengd-grasprairie waar de vegetatie laag blijft, meestal onder dertig centimeter: begraasde weiden, recent gebrande stukken en hooiland. Hoog, dicht gras verlaat hij, zodat begrazing door vee of bizon en periodiek branden het gebied geschikt houden. In de winter zoekt hij hetzelfde open, korte terrein op: woestijngrasland van de Chihuahuawoestijn, begraasde vlakten, stoppelvelden en akkerranden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Zuid-Alberta en Zuid-Saskatchewan tot Zuidwest-Manitoba en zuidwaarts door Montana, de Dakota's en Noordoost-Wyoming; het areaal is aan de randen ingekrompen tot ver binnen de historische grenzen. De trek verloopt over de zuidelijke Great Plains. Overwintert van Zuidoost-Arizona, New Mexico, West-Texas, West-Oklahoma en Zuidoost-Colorado tot in het Mexicaanse woestijngrasland van Chihuahua, Coahuila, Durango, Zacatecas, Noordoost-Sonora en West-Nuevo León, waar groepen van vijftig tot honderd vogels gewoon zijn.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In het broedgebied is mei tot juli de beste tijd: rijd langs onverharde prairiewegen in Noordoost-Montana of Zuid-Saskatchewan en let op de zingende zangvlucht boven begraasd grasland. In de winter loont het om in de graslanden van Zuidwest-New Mexico of Noord-Chihuahua een groep gorzen op te laten vliegen en op de roep te letten; ga daarna op de staart af en niet op de kleur, want in winterkleed lijken alle vier de ijsgorzen op elkaar.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op circa 3,1 miljoen vogels. Het State of the Birds-rapport van 2025 (het tweejaarlijkse Noord-Amerikaanse statusrapport) plaatst de soort op de rode kantelpuntlijst, met een afname van ongeveer 73 procent sinds 1967. De oorzaak ligt in het verdwijnen van inheemse prairie: omzetting naar akkerbouw, versnippering door olie- en gaswinning en het wegvallen van begrazing en brand, waardoor resterend grasland te hoog en te dicht wordt. Herstel van begrazingsbeheer en het behoud van aaneengesloten prairieblokken zijn de maatregelen die in beheerplannen worden genoemd; ook het winterareaal in Noord-Mexico staat onder druk door omzetting naar landbouw.
Wetenschappelijke naam
Calcarius ornatus | (Townsend, 1837)
Townsend beschreef de soort in 1837 als Plectrophanes ornata, naar een vogel van de prairies aan de Platte in het westen van Nebraska; omdat ze later naar Calcarius verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Calcarius komt van het Latijnse calcar 'spoor', naar de sterk verlengde nagel van de achterteen die alle ijsgorzen hebben. De soortnaam ornatus betekent 'getooid', naar het patroon van keel, kruin en nek van het mannetje. De Engelse naam longspur verwijst naar diezelfde lange achternagel.




