Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Roodbuikzanger

Roodbuikzanger | Myioborus pictus

Painted Redstart | Candelita aliblanca

De roodbuikzanger is zwart met een rode onderborst en buik, een grote witte vleugelvlek en witte buitenste staartpennen. Hij foerageert met gespreide staart en half geopende vleugels langs takken en stammen in het eiken- en dennenbos van de bergen, van Zuidoost-Arizona tot Nicaragua.

Roodbuikzanger (Myioborus pictus)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van heldere, tweelettergrepige gefloten frasen, ongeveer wieta wieta wieta wie, met een wat schorre bijklank, meestal drie tot vijf keer herhaald. Anders dan bij de meeste zangers zingt ook het vrouwtje; paren zingen in het voorjaar geregeld om de beurt vanaf naburige takken. Daarnaast klinkt een zachte binnensmondse zang. De roep is een scherpe, wat rauwe tsjiep, veel voller dan het dunne tsip van verwante zangers.

Luister: ZangXC773201

Opname: Pritam Baruah — CC BY-NC-SA 4.0 · Reserva de la Chara Pinta (Tufted Jay Preserve), Sinaloa, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Kop, borst, rug en staartbovenzijde zijn diep zwart; de onderborst en buik zijn helder rood, scherp afgetekend tegen het zwart. Over de vleugel loopt een groot wit vlak, en de buitenste staartpennen zijn grotendeels wit. Onder het oog staat een witte halve maan. Man en vrouw zijn gelijk gekleurd. Onvolwassen vogels missen het rood en hebben een grijszwarte buik, maar dragen de witte vleugel- en staarttekening al. Het gedrag is kenmerkend: de vogel hupt langs takken en stammen, draait het lichaam heen en weer en spreidt daarbij voortdurend de staart en de vleugels, waardoor het wit oplicht en insecten opvliegen.

Verwarrings­soorten

De meniezanger (Myioborus miniatus), in Mexico de naaste verwant, heeft een leigrijze keel en borst, een verborgen roodbruine kruinvlek en geen witte vleugelvlek; het wit in de staart is bij hem beperkter. De Amerikaanse roodstaart heeft oranje in plaats van rode vlekken, en die zitten op de vleugelbasis, de staartbasis en de flank in plaats van op buik en vleugelvlak. De roodmaskerzanger is grijs van boven met een rood gezicht, niet zwart met een rode buik. De combinatie van zwart, een rode buik en een groot wit vleugelvlak is binnen Noord-Amerika kenmerkend.

Leefgebied

Open eiken-, den-eiken- en eiken-jeneverbesbos in bergen en canyons, tussen ruwweg 1500 en 2500 meter, bij voorkeur op hellingen met een dichte kruidlaag en langs beeklopen met plataan en esdoorn. Het nest staat op de grond, meestal in een holletje in een helling onder een overhangende graspol of wortel. Buiten het broedseizoen zakken de noordelijke vogels naar lagere oeverbossen en canyons af; in Mexico en Midden-Amerika gebruikt hij daarnaast bewolkt bergbos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

In de Verenigde Staten broedt hij in de bergen van Zuidoost-Arizona en Zuidwest-New Mexico en in kleine aantallen in West-Texas, vooral in de Chisos Mountains van Big Bend. Van daar loopt het areaal zuidwaarts over de Sierra Madre Occidental en de Sierra Madre Oriental en verder door de Mexicaanse bergen tot Oaxaca en Chiapas, en over Guatemala, El Salvador en Honduras tot Nicaragua, waar het areaal ophoudt. In Mexico en Midden-Amerika is hij grotendeels standvogel; de vogels van de noordrand zijn trekvogel en arriveren in maart, waarna ze in september weer vertrekken. Buiten het areaal duikt hij als dwaalgast op tot in Californië en aan de Golfkust.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste kans is april tot juli in de canyons van Zuidoost-Arizona, bijvoorbeeld Madera of Cave Creek, waar hij vaak al bij de eerste honderd meter van het pad zingt. Let op de beweging in plaats van op de kleur: het open- en dichtklappen van staart en vleugels langs een stam valt op grotere afstand op dan het rood, dat pas van onderaf zichtbaar is.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 600.000 vogels en geeft een Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) van 13 van 20. Het aandeel van de populatie in de Verenigde Staten is klein en beperkt tot enkele bergeilanden en canyons; daar drukken bebouwing in de canyonmonden, houtkap en het uitblijven van verjonging van het eikenbos door begrazing op het broedgebied. Grote kroonbranden in de Sierra Madre en de grensbergen kunnen plaatselijk een groot deel van het bos wegnemen, en omdat het nest op de grond ligt, zijn ook loslopende honden en katten in bewoonde canyons een verliespost.

Wetenschappelijke naam

Myioborus pictus | (Swainson, 1829)

William Swainson beschreef de soort in 1829 als Setophaga picta, naar een exemplaar uit Real del Monte in Hidalgo, Mexico; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton pictus is Latijn voor 'geschilderd', naar het contrastrijke patroon van zwart, rood en wit, waarnaar ook de Engelse naam verwijst; de Nederlandse naam benoemt de rode buik. Het geslacht Myioborus is gevormd uit het Griekse muia 'vlieg' en -boros 'verslindend', dus 'vliegeneter'.