Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Papegaaiduiker
Papegaaiduiker | Fratercula arctica
Atlantic Puffin | Frailecillo atlántico
De papegaaiduiker is een kleine, gedrongen alk met een hoge driekleurige snavel, oranje poten en een gezicht dat van veraf op een masker lijkt. Hij broedt in gangen op eilanden in de noordelijke Atlantische Oceaan en brengt de rest van het jaar ver uit de kust door, zonder ooit land aan te doen. In de Verenigde Staten broedt hij alleen in Maine, waar hij aan het begin van de twintigste eeuw bijna was verdwenen.
Geluid
Op zee is hij stil. In de kolonie klinkt uit de gang een laag, aanhoudend grommen dat aan een gedempte kettingzaag doet denken, met de klemtoon telkens vooraan: aarr-aarr-aarr. Mannetjes stoten aan de ingang daarbij een varkensachtig knorren uit terwijl ze de kop achterover gooien. Een kolonie klinkt daardoor niet als een meeuwenkolonie maar als een laag gebrom dat uit de grond komt.
Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · Svalbard, Norway · xeno-canto
Herkenning
Zwart van boven en wit van onderen, met een grote kop, een korte hals en een driehoekige snavel die van opzij hoog en smal is. In de broedtijd is die snavel oranje, geel en blauwgrijs, met scherpe groeven, en is het gezicht lichtgrijs met een donker driehoekje boven het oog. Buiten de broedtijd worden gezicht en oogstreek donkergrijs en verliest de snavel zijn gele en blauwe hoornplaten; hij wordt kleiner en doffer, maar blijft driehoekig. Jonge vogels hebben een duidelijk smallere, geheel donkere snavel en een grijs gezicht. Man en vrouw zien er gelijk uit. De vlucht gaat laag over het water met snelle slagen; onder water gebruikt hij dezelfde vleugels als peddels.
Verwarringssoorten
De alk (Alca torda) is groter en langer, met een zwarte, zijdelings afgeplatte snavel met een dwarse witte streep, een spitse staart en een geheel donkere kop. De kleine alk (Alle alle) is veel kleiner, met een kort stomp snaveltje en een gedrongen, bijna halsloze vorm. De zwarte zeekoet (Cepphus grylle) heeft rode poten en een grote witte vleugelvlek, en in winterkleed een licht gemarmerde bovenzijde. Bij jonge papegaaiduikers en vogels in winterkleed is de snavel klein en donker, maar de hoogte en de driehoekige vorm blijven anders dan bij elke andere alk van de Atlantische Oceaan.
Leefgebied
Hij broedt op eilanden en klifkoppen met een laag zode of met losse rotsblokken, waar hij een gang kan graven of een spleet kan bezetten. Wat de plaats bepaalt is een bodem zonder ratten en vossen, en koel, helder water met kleine scholenvis binnen bereik. De rest van het jaar leeft hij op open zee, meestal boven diep water buiten het continentale plat. Beboste kusten, zandstranden en brakke binnenwateren gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In het westen van de Atlantische Oceaan broedt hij van Groenland en de noordelijke Hudsonbaai zuidwaarts langs Labrador en Newfoundland naar de Golf van Sint-Laurens, Nova Scotia, New Brunswick en Maine; verreweg de meeste paren zitten in Newfoundland en Labrador. Aan de andere kant van de oceaan broedt hij van IJsland en de Faeröer tot Noorwegen, Spitsbergen en Nova Zembla. Na de broedtijd verspreiden de vogels zich over de open oceaan, van de rand van het pakijs tot in de Golfstroom bij North Carolina, en komen ze maandenlang niet aan land. In Maine was hij rond 1900 door de jacht op vlees en veren tot één eiland teruggebracht; sinds 1973 zijn er jongen uit Newfoundland op verlaten eilanden grootgebracht, en broeden er weer ruim tweeduizend vogels.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De zekerste plek is een boottocht naar een kolonie tussen half mei en begin augustus: Machias Seal Island of Eastern Egg Rock voor de kust van Maine en New Brunswick, Witless Bay bij Newfoundland, of de Mingan-eilanden in Quebec. Kijk tegen de avond naar de groepen op het water voor het eiland; daar wachten de vogels tot het donker genoeg is om hun jong te voeren. Na half augustus is de kolonie leeg en is de kans op een papegaaiduiker vanaf land vrijwel nul.
Staat van instandhouding
Wereldwijd zijn er ongeveer twaalf miljoen vogels, waarvan er tussen de 750.000 en 760.000 in Noord-Amerika broeden. Toch staat de soort als kwetsbaar (VU) op de Rode Lijst: in grote delen van Europa lopen de aantallen terug, en de belangrijkste oorzaak is warmer zeewater, waardoor de kleine vis die de jongen nodig hebben op de verkeerde plaats of het verkeerde moment zit. Op broedeilanden zijn ingevoerde ratten en katten de tweede oorzaak; olie en kieuwnetten eisen op zee hun deel.
Wetenschappelijke naam
Fratercula arctica | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alca arctica, bij de alken; omdat ze later in Fratercula is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Fratercula werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is laat Latijn voor 'broedertje', naar het zwart-witte kleed dat aan een monnikspij doet denken. arctica betekent 'van het noorden', naar arktos, de beer: het sterrenbeeld dat boven de noordpool staat. Linnaeus gaf als typelocatie de zeeën van Noord-Europa; die is later beperkt tot Noorwegen.

