Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Noordelijke klapekster
Noordelijke klapekster | Lanius borealis
Northern Shrike | Alcaudón boreal
De noordelijke klapekster broedt aan de rand van de taiga en laat zich ten zuiden daarvan alleen in de winter zien, op de hoogste draad boven een besneeuwd veld. Het is een zangvogel met een haaksnavel, die muizen en kleine vogels doodt en ze aan een doorn of een punt prikkeldraad spietst, ook als hij geen honger heeft — zo'n voorraadje verraadt hem vaak eerder dan de vogel zelf.
Geluid
In het broedgebied zingt het mannetje vanaf een boomtop een lange, trage aaneenschakeling van ruwe en heldere motieven, elk twee- of driemaal herhaald met lange stiltes ertussen, en met nagebootste stukjes van andere vogels erdoorheen. In het winterkwartier zingt hij zacht en binnensmonds, vooral op zonnige dagen in februari en maart; van dichtbij klinkt dat als een aarzelend gepruttel. De roep is een hard, hoog sjek-sjek, en bij opwinding een ratelend krrr-krrr. Hij laat ook een dun, hoog gefluit horen dat kleine zangvogels juist naar hem toe trekt.
Opname: Bill Pyle — CC BY-NC-SA 4.0 · Kodiak Station, Kodiak Island Borough, Alaska, United States · xeno-canto
Herkenning
Grijs van boven, wit van onderen, met een zwart masker dat over het oog loopt maar de snavelbasis vrijlaat, zodat er boven de snavel een smalle bleke streep blijft staan. Op borst en flanken liggen fijne grijze golfstreepjes, die bij verse vogels het wit vuil doen lijken. De vleugel is zwart met een witte vlek aan de basis van de handpennen; de zwarte staart is lang, getrapt en breed wit in de hoeken. De snavel is zwaar, aan de punt gehaakt en met een tandje in de bovensnijrand; bij jonge vogels is de snavelbasis hoornkleurig en is het hele kleed bruingrijs met duidelijker golfstreping. In vlucht golft hij laag over de grond en zwaait dan omhoog op een punt, waar hij rechtop en volkomen stil blijft zitten.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse klapekster is kleiner en donkerder grijs, en zijn zwarte masker loopt over de snavelbasis door, zodat de kop van voren een aaneengesloten zwarte band draagt; zijn snavel is korter en minder sterk gehaakt en zijn borst is zuiver wit. In de winter overlappen de twee alleen in een smalle strook dwars over het midden van het continent; ten noorden daarvan is elke klapekster een noordelijke. De spotlijster zit op dezelfde draden, maar is slanker, langer van staart en zonder masker, met een dunne rechte snavel en veel grotere witte vleugelvlakken in vlucht. Een jonge noordelijke klapekster is bruin genoeg om aan een lijster te doen denken; de haaksnavel en de zwart-witte staart wijzen hem meteen aan.
Leefgebied
Hij broedt in de open rand van het naaldbos: verspreide sparren en lariksen in veen en muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada), wilgen- en elzenstruweel langs beken, en de dwergstruiken van de boomgrens. In de winter zoekt hij open land met uitkijkposten — akkers met houtwallen, weiland met prikkeldraad, verlaten boomgaarden, wegbermen met telefoonpalen en het struweel van drooggevallen rivierbeddingen. Gesloten bos gebruikt hij niet, en een veld zonder paal, draad of struik is voor hem onbruikbaar, hoe vol muizen het ook zit. Dezelfde winterplekken worden jaar na jaar door één vogel bezet, die zijn gebied tegen soortgenoten verdedigt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van west-Alaska door Yukon, de Northwest Territories en het noorden van de provincies tot in Labrador, overal langs de boomgrens en niet ten noorden daarvan. Overwintert in zuidelijk Canada en de noordelijke helft van de Verenigde Staten, zuidwaarts ongeveer tot Colorado, Kansas en de Ohiovallei; hoe ver hij komt verschilt sterk per jaar. De aantallen in het zuiden volgen de woelmuizen en lemmingen van het noorden: in de winter na een instorting van de knaagdieren duiken er overal veel meer op. Tot voor kort werd hij met de Euraziatische klapekster (Lanius excubitor) als één soort geteld; Noord-Amerika telt hem nu apart.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in december of januari een landweg door open akkerland en kijk naar de toppen: een kleine bleke vogel die volkomen stil op het allerhoogste punt van een boom of paal zit, is in dat landschap bijna altijd een klapekster. Klapeksters kiezen vrijwel altijd de top, nooit een tak halverwege. Vind je een doornstruik met een opgespietste muis of een kever die op prikkeldraad is vastgestoken, dan zit de vogel binnen een paar honderd meter.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op enkele honderdduizenden vogels geschat en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek; het broedgebied ligt grotendeels buiten het bereik van landbouw en bebouwing. Wintertellingen in het zuiden van het areaal laten over de laatste halve eeuw een daling zien, maar de aantallen schommelen van jaar tot jaar zo sterk dat er moeilijk een trend uit te lezen is. Het broedgebied zelf verandert vooral doordat de boomgrens noordwaarts opschuift.
Wetenschappelijke naam
Lanius borealis | Vieillot, 1808
Louis Pierre Vieillot beschreef de soort in 1808 als Lanius borealis; omdat ze nog altijd in dat geslacht staat, gaan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Lanius werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd en is het Latijnse woord voor 'slager', naar de gewoonte prooi aan doorns te hangen. borealis betekent 'noordelijk', naar Boreas, de noordenwind van de Grieken. Vieillot gaf als herkomst alleen 'Noord-Amerika' op; de American Ornithologists' Union beperkte de typelocatie in 1931 tot New York.




