Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Musgors

Musgors | Spizella passerina

Chipping Sparrow | Chimbito común

De musgors is een kleine, slanke gors met een roestrode kruin, een zwarte oogstreep en een ongestreepte grijze onderzijde. Hij broedt van de boomgrens in Canada tot in Nicaragua en is in tuinen, parken en open naaldbos een van de meest algemene zangvogels van Noord-Amerika.

Musgors (Spizella passerina)
Foto: Vkulikov — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een egale, droge triller op één toonhoogte, drie tot vier seconden lang, ongeveer als het aflopen van een kleine ratel; de snelheid en de scherpte verschillen per vogel, van een klepperende reeks losse notities tot een bijna vlakke zoemtoon. Hij zingt vanaf een boomtop, vaak vroeg in de ochtend en ook wel 's nachts. De roep is een kort, hard tsjip — vandaar de Engelse naam — en op trek klinkt een dun, hoog siep dat 's nachts over de daken te horen is.

Luister: ZangXC1148802

Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · South Bozeman, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto

Herkenning

In broedkleed is de kruin egaal roestrood, gescheiden van de grijze wang door een zwarte streep die tot voor het oog doorloopt; daarboven staat een witte wenkbrauwstreep. De nek en de onderdelen zijn ongestreept grijs, de rug bruin met donkere streping, en er zijn twee smalle witte vleugelstrepen. De stuit is grijs, wat in de vlucht opvalt. De snavel is in de zomer zwart. In winterkleed is de kruin bruin en fijn gestreept, de gezichtstekening vager en de snavel roze. Jonge vogels hebben een gestreepte borst, maar behouden de grijze stuit en de ongestreepte nek.

Verwarrings­soorten

De toendragors heeft eveneens een roestrode kruin, maar een tweekleurige snavel — donker van boven, geel van onderen — en een donkere vlek midden op de effen grijze borst. De veldgors heeft een roze snavel, een witte oogring en een effen gezicht zonder zwarte oogstreep. De bleke gors heeft een bruine stuit, een lichte middenkruinstreep en een grijze nekband, en de donkere oogstreep loopt bij hem níét door tot vóór het oog. In winterkleed blijven bij de musgors de grijze stuit en de ongestreepte grijze onderdelen de beste kenmerken.

Leefgebied

Open bos en bosrand met grazige plekken: naaldbos in het westen en het noorden, gemengd loofbos in het oosten, en tot aan de boomgrens ook espen- en berkenopslag. Daarnaast tuinen, parken, begraafplaatsen, wegbermen en erven met losse bomen en kort gras. Hij nestelt graag in een conifeer en foerageert op de open grond eronder, wat hem in bewoond gebied tot een vaste verschijning maakt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt van Alaska's zuidrand, Yukon en de Northwest Territories door heel Canada en vrijwel de hele Verenigde Staten, en in de bergen van Mexico en Centraal-Amerika tot in Nicaragua. Mannetjes komen in het zuiden van Texas al in maart aan, in Zuid-Alberta en Noord-Ontario pas half mei. De noordelijke populaties overwinteren in de zuidelijke Verenigde Staten en Mexico; van Californië en de Golfstaten zuidwaarts is hij het hele jaar aanwezig, met eigen standvogelondersoorten op de Mexicaanse hoogvlakte.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Luister in april en mei in een park of op een begraafplaats naar de vlakke triller vanuit een boomtop; hij lijkt op die van de dennenzanger en de grijze junco, maar is droger en gelijkmatiger. Na de broedtijd vormen ze groepen van enkele tientallen die onder voedertafels op de grond scharrelen.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer 240 miljoen vogels geschat en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, al wijst de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) sinds 1966 op een afname van ongeveer 28 procent. Hij profiteert van verstedelijking en parkaanleg, waar open grond met losse bomen ontstaat; plaatselijk zijn kattenpredatie in tuinen en het wegvallen van insecten in gazons met bestrijdingsmiddelen een knelpunt.

Wetenschappelijke naam

Spizella passerina | (Bechstein, 1798)

Johann Matthäus Bechstein beschreef de soort in 1798 als Fringilla passerina, naar materiaal uit Canada; omdat ze later in een ander geslacht kwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Passerina is Latijn voor 'musachtig', van passer 'mus'. Het geslacht Spizella is een verkleinvorm van het Griekse spiza 'vink', dus 'vinkje'. De Engelse naam komt van de korte chip-roep; de Nederlandse naam wijst op de gelijkenis met een huismus in formaat en kleur.