Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Mexicaanse roodmus
Mexicaanse roodmus | Haemorhous mexicanus
House Finch | Pinzón mexicano
De Mexicaanse roodmus is de vink die je in vrijwel elke Noord-Amerikaanse buitenwijk hoort zingen. Oorspronkelijk een vogel van de droge streken van Mexico en het westen van de Verenigde Staten, is hij sinds een ontsnapping in New York in 1940 ook over het hele oosten van het continent verspreid, en op Hawaï gevestigd.
Geluid
De zang is een lange, snel doorlopende reeks krassend-heldere tonen, twee tot drie seconden, met een naar boven of naar beneden schuivend slot dat vaak als een hees wier klinkt. Het mannetje zingt het hele jaar door vanaf een dakrand, antenne of hoge tak; vrouwtjes zingen een kortere versie. De roep is een enkelvoudig, opgewekt tsjiep, dat in vluchten voortdurend heen en weer gaat.
Opname: Andrew McCafferty — CC BY-NC-SA 4.0 · Southbound 53A St @ 10 Ave (near Delta), Metro Vancouver, British Columbia, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, gedrongen vink met een korte, sterk gebogen bovensnavel en een ondiep gevorkte staart. Het mannetje heeft rood tot rozerood op voorhoofd, wenkbrauwstreep, keel en borst, met een bruin gestreepte rug, buik en flanken; de rode kleur komt uit carotenoïden in het voedsel en loopt naar oranje of geel bij een ander dieet. Het vrouwtje is egaal grijsbruin met vage, onscherpe streping op de onderdelen en zonder duidelijke koptekening.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse roodmus heeft een rechtere, spitsere snavel, een duidelijke lichte wenkbrauwstreep en een donkere kaakstreep bij het vrouwtje, en bij het mannetje loopt het framboosrood door tot op de rug en de flanken, waar de Mexicaanse roodmus bruine streping houdt. Cassins roodmus heeft een langere snavel met rechte snijranden, een puntig opstaande kruin en gestreepte onderstaartdekveren. De huismus heeft een veel zwaardere, kegelvormige snavel en geen streping op de flanken.
Leefgebied
In het oorspronkelijke westelijke areaal woestijn en halfwoestijn met cactussen en yucca, chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat), open eikenland en canyonranden. Daarnaast, en in het oosten vrijwel uitsluitend, bebouwd gebied: straatbomen, tuinen, erven, parkeerplaatsen, boerderijen en bosranden. Hij nestelt in klimplanten, hangmanden, buitenlampen, luifels en holtes in gebouwen. Gesloten bos en hooggebergte mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel in het grootste deel van het areaal, met alleen in het noorden een beperkte winterverplaatsing. Het inheemse gebied loopt van Zuid-Brits-Columbia en het Grote Bekken via het zuidwesten van de Verenigde Staten tot Zuid-Mexico en Neder-Californië. In 1940 werden in New York illegaal verhandelde vogels vrijgelaten; daaruit groeide een oostelijke populatie die tegen de jaren negentig aansloot op de westelijke. Op Hawaï is hij sinds het eind van de negentiende eeuw gevestigd op alle grote eilanden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Let op de snavel voordat je op kleur afgaat: de bovensnavel van deze soort is duidelijk gebogen, die van de twee andere roodmussen vrijwel recht. Rood dat naar oranje of geel neigt, is bij deze soort gewoon en betekent niet dat je een andere vogel ziet. Bij een voedertafel met zonnebloempitten zijn ze in de meeste voorsteden het hele jaar aanwezig.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC); met een geschatte veertig miljoen vogels in Noord-Amerika is het een van de talrijkste zangvogels van het continent, en de trend over de laatste halve eeuw is stijgend. In 1994 verscheen in de oostelijke populatie de bacterie Mycoplasma gallisepticum, die een ooginfectie veroorzaakt; in enkele jaren verdween daardoor een groot deel van de oostelijke vogels, waarna het aantal zich gedeeltelijk herstelde. Voedertafels versnellen de overdracht, zodat regelmatig schoonmaken het besmettingsrisico verlaagt.
Wetenschappelijke naam
Haemorhous mexicanus | (Müller, 1776)
Philipp Ludwig Statius Müller beschreef de soort in 1776 als Fringilla mexicana; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Haemorhous werd in 1837 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse haima 'bloed' en orrhos 'stuit', dus 'met de bloedrode stuit'. De soortnaam mexicanus verwijst naar de typelocatie, die later tot het Dal van Mexico werd beperkt. De Nederlandse en Spaanse naam volgen die typelocatie; de Engelse naam House Finch verwijst naar het nestelen bij gebouwen.






