Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Magnoliazanger
Magnoliazanger | Setophaga magnolia
Magnolia Warbler | Reinita de magnolia
De magnoliazanger is een kleine zanger van jonge, dichte naaldbossen, met gele onderdelen, een zwarte halsketting van strepen en een witte band dwars over het midden van de staart. Hij broedt van Noordoost-Brits-Columbia tot Newfoundland en zuidwaarts langs de Appalachen, en overwintert van Zuid-Mexico tot Panama en op de Antillen.
Geluid
De zang is kort en helder: drie tot vijf lettergrepen die klinken als wieta wieta wietsie, met de klemtoon op het slot. Mannetjes hebben twee versies, een met een opgaand eind voor het lokken van een vrouwtje en een vlakkere, ongeaccentueerde vorm die tegen buurmannetjes wordt gebruikt. De roep is een nasaal, iets schor tzjep, lager en voller dan het dunne sip van de meeste verwanten. Op trek is 's nachts een kort, ijl vliegroepje te horen.
Opname: Scott Olmstead — CC BY-NC-SA 4.0 · Trudeau Rd, Bethlehem, Grafton County, New Hampshire, United States · xeno-canto
Herkenning
Het broedende mannetje heeft een grijze kruin, een zwart masker met een witte wenkbrauwstreep erboven, een zwarte rug en een groot wit vleugelveld. De onderdelen zijn geel met dikke zwarte strepen die op de borst samenkomen tot een halsketting; de stuit is geel en de onderstaartdekveren wit. Het sluitende kenmerk zit in de staart: van onderen gezien is die wit met een brede zwarte punt, doordat een witte band dwars over het midden loopt. Die band blijft het hele jaar zichtbaar en is bij geen enkele verwant zo aangelegd. In het herfstkleed zijn kop en rug grijsgroen, blijft het geel op buik en stuit staan en valt vooral een smalle grijze band dwars over de borst op, met een dun wit oogringetje.
Verwarringssoorten
In het najaar lijkt hij op andere grijsgroene zangers, maar de staartband scheidt hem van alle. De gele zwartkeelzanger en de geelstuitzanger hebben witte onderstaartdekveren zonder die dwarsband en missen het geel op de buik of de borststreping. De Canadese zanger heeft ook een halsketting, maar een egaal blauwgrijze rug, een geel oogringetje en geen wit in de staart. De tijgerzanger deelt geel en borststreping, maar heeft een gestreepte stuit, een kastanjebruine oorstreek bij het mannetje en een fijner streeppatroon.
Leefgebied
Broedt in dichte opslag van jonge naaldbomen: sparrenopslag in het noorden, hemlock op de zuidelijke hellingen, vaak op kapvlaktes, in bosranden en langs beken. Hij houdt zich laag in de boom, meestal onder de zes meter, anders dan de meeste verwanten die hoger foerageren. Op trek komt hij in vrijwel elk bos, in houtwallen en in parken. In het overwinteringsgebied zit hij van zeeniveau tot ongeveer 1500 meter in struweel, bosrand, schaduwrijke cacao- en koffieaanplant en secundair bos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Noordoost-Brits-Columbia en de Northwest Territories oostwaarts door het hele boreale Canada tot Newfoundland, en in de Verenigde Staten door de noordelijke Grote Meren-staten, New England en de Appalachen tot West Virginia en Virginia. De trek gaat over het oosten en midden van het continent, westelijk tot Kansas en Oklahoma. Overwinteren doet hij in Zuid-Mexico, Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua, en op Cuba, Jamaica, Hispaniola en de Bahama's; het zwaartepunt ligt op het vasteland van Midden-Amerika.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In mei is hij op doortrek een van de talrijkste zangers in oostelijke stadsparken, en dan foerageert hij laag genoeg om hem zonder naar de boomtoppen te turen goed te bekijken. Kijk van onderaf naar de staart: de witte band met zwarte punt is ook bij een tegenlichtvogel en in herfstkleed af te lezen, terwijl kop- en rugkleur dan weinig zeggen.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 39 miljoen vogels en geeft de soort een score van 8 van 20, de laagste zorgcategorie. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 een toename van bijna één procent per jaar zien; de soort profiteert van kaalkap en bosbrand, die steeds opnieuw jonge naaldopslag opleveren. Aanvaringen met gebouwen en zendmasten tijdens de nachtelijke trek kosten jaarlijks veel vogels, en het winterareaal krimpt door ontbossing in Midden-Amerika.
Wetenschappelijke naam
Setophaga magnolia | (Wilson, 1811)
Alexander Wilson beschreef de soort in 1811 als Sylvia magnolia, naar de magnoliabomen waarin hij het eerste exemplaar bij Fort Adams in Mississippi schoot; als Engelse naam had hij Black-and-yellow Warbler bedoeld, maar het wetenschappelijke epitheton hield stand en werd later ook de Engelse en de Nederlandse naam. Omdat de soort sindsdien naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, uit het Grieks ses 'mot' en phagos 'etend': moteneter, naar het dieet van rupsen en nachtvlinders.




