Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Lucy's zanger
Lucy's zanger | Leiothlypis luciae
Lucy's Warbler | Reinita de Lucy
Lucy's zanger is de kleinste Amerikaanse zanger en de enige die in echte woestijn broedt. Hij houdt het jaar rond aan mesquitebos langs droge beddingen in het zuidwesten van de Verenigde Staten en het noordwesten van Mexico, en is samen met de citroenzanger de enige zanger die in holten nestelt.
Geluid
De zang is een snelle, hoge reeks van een stuk of acht gelijke tsjie-tsjie-tsjie-notities, die aan het eind in toonhoogte zakt of juist een tandje omhoog gaat; het geheel duurt nog geen twee seconden. Mannetjes zingen van eind maart tot in juni bijna de hele ochtend door, ook midden op de dag als de rest van het mesquitebos zwijgt. De roep is een scherp, droog tsjik, vaak vanuit de dekking van een doornige tak.
Opname: Bill Pyle — CC BY-NC-SA 4.0 · Peppersauce Canyon Campground, Pinal Co., Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, dungesnavelde zanger die vrijwel geheel grijs is: grijs van boven, vuilwit van onderen, zonder vleugelstrepen en zonder geel. De twee kenmerkende vlekken zijn kaneelrood: een kroonvlek, die bij een zittende vogel meestal verborgen blijft, en de stuit, die vooral bij het opvliegen zichtbaar wordt. Een smalle witte oogring staat los in het effen grijze gezicht. Vrouwtjes en jonge vogels hebben dezelfde tekening, maar dan in geelbruin in plaats van kaneelrood. Hij foerageert beweeglijk tussen doornige twijgen en hangt daarbij regelmatig ondersteboven.
Verwarringssoorten
De virginiazanger is groter, heeft een langere staart die hij op en neer wipt, en geel op borst en onderstaartdekveren; hij mist de kaneelkleurige stuit. De grijze vorm van de groene zanger is donkerder olijfgrijs, heeft gele onderstaartdekveren en een gestreepte teugelstreep. De goudmees heeft een geel gezicht en een kegelvormige snavel. Bells vireo deelt het leefgebied, maar heeft een zwaardere, gehaakte snavel en trage bewegingen in plaats van het snelle gescharrel van deze zanger.
Leefgebied
Mesquitebos, tamarisk, acacia, netelboom en wilg langs droge beddingen, arroyo's (droge, steilwandige geulen die alleen na regen water voeren) en beeklopen in de Sonora- en Chihuahuawoestijn, doorgaans onder 1500 meter. Waar mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes) hoog genoeg wordt en oude stammen holten en losse schorsplaten bevatten, zit de soort dicht opeen; tot twaalf paar per hectare is vastgesteld. Hij nestelt in natuurlijke holten, verlaten spechtengaten, achter loszittende schors en in nestkasten. Buiten de beddingen gebruikt hij ook populierbos en droog bergbos op grotere hoogte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt in Arizona, Zuid-Nevada, Zuidwest-Utah, Zuidoost-Californië langs de Colorado, West- en Zuid-New Mexico en West-Texas, en loopt door naar Noordoost-Sonora en Noordoost-Neder-Californië. Hij komt in maart al terug en vertrekt vroeg: veel vogels zijn in augustus al weg. Overwinteren doet hij aan de westkust van Mexico, van Sinaloa tot Guerrero en Oaxaca, in tropisch loofbos en doornstruweel.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in april of mei bij zonsopgang een mesquitebedding in zuidelijk Arizona af en luister eerst; de zang verraadt hem eerder dan het oog. Zoek daarna de kaneelkleurige stuit op het moment dat een vogel van struik naar struik vliegt — op een zittende vogel zie je die vrijwel nooit.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, maar de aantallen nemen in een deel van het broedgebied af. Het knelpunt is het verdwijnen van mesquitebos langs beken en rivieren door grondwateronttrekking, bebouwing en omvorming tot weiland; ook parasitering door de bruinkopkoevogel speelt mee. Nestkasten worden in Arizona ingezet waar oude bomen met holten ontbreken, en herstel van de oeverzone vergroot het aanbod van nestplaatsen.
Wetenschappelijke naam
Leiothlypis luciae | (Cooper, 1861)
James Graham Cooper beschreef de soort in 1861 als Helminthophaga luciae, naar een exemplaar van Fort Mojave in het dal van de Colorado; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert Lucy Hunter Baird, dochter van de ornitholoog Spencer Fullerton Baird. Het geslacht Leiothlypis komt van het Griekse leios 'glad, effen' en thlypis, een naam voor een kleine vogel — een verwijzing naar het ongetekende verenkleed.




