Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Lincolngors
Lincolngors | Melospiza lincolnii
Lincoln's Sparrow | Chingolo de Lincoln
De lincolngors is een fijn getekende gors van natte wilgenstruwelen en veenmoerassen in het boreale Canada en de westelijke bergen, met een okerkleurige borstband waarover haarfijne zwarte streepjes lopen. Hij houdt zich laag in de dekking en trekt tot ver in Midden-Amerika.
Geluid
De zang is vol en borrelend, met trillers, gorgelende passages en een zoemende noot ertussen, en doet eerder aan een winterkoning of een roodmus dan aan een gors denken; hij begint hoog en ijl en zwelt daarna aan. Alleen het mannetje zingt, met een beperkt aantal varianten. De roep is een droog, hard tsjep en in de vlucht een dunne, hoge tsie.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · South Bozeman, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto
Herkenning
Een tamelijk kleine gors met een ronde kop die bij opwinding een kort kuifje toont, en een slanke snavel. Over de borst en de flanken ligt een okerkleurige waas met fijne, scherp getekende zwarte streepjes; daaronder is de buik wit. De baardstreep is okerkleurig en wordt aan beide zijden zwart omzoomd. Om het oog staat een okerkleurige oogring, daarboven een grijze wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De kruin is bruin met zwarte strepen en een grijze middenstreep; de bovenzijde is olijfbruin met zwarte streping.
Verwarringssoorten
De zanggors is groter en forser, met grovere, donkerbruine streping op een witte borst, een centrale borstvlek en een langere staart, en zonder okerkleurige borstband. De moerasgors heeft een effen grijze borst zonder streping en ongestreepte flanken. De savannahgors heeft geel boven het oog, roze poten en een gevorkte staart en zit in open gras in plaats van in dekking. Het doorslaggevende kenmerk is de okerkleurige borstband met haarfijne streepjes, gecombineerd met de okerkleurige oogring en baardstreep.
Leefgebied
In de broedtijd natte struwelen van wilg, els en dwergberk langs beken, hoogveen met veenmos en zeggenpollen, en open plekken in boreaal naaldbos; in de westelijke bergen dezelfde natte struwelen tot in de subalpiene zone. Tijdens de trek en in de winter juist in droger terrein: verruigde velden, oeverstruweel, bosranden, heggen en struikgewas rond akkers, altijd met dekking dicht bij de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied beslaat Alaska en bijna heel boreaal Canada tot Newfoundland, en in de Verenigde Staten de bergen van de Cascades, de Sierra Nevada en de Rocky Mountains tot in Arizona en New Mexico, plus het gebied van de Grote Meren en het noorden van New England. De trek loopt over vrijwel het hele continent; in het oosten is hij tamelijk schaars, in het westen algemeen. Overwinterd wordt in het zuiden van de Verenigde Staten, in heel Mexico en verder zuidwaarts in Guatemala, Belize, Honduras, El Salvador en Nicaragua.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in september en oktober in struweel langs een sloot of akkerrand tussen de zanggorzen: let op de fijnere streping en de okerkleurige borstband. Hij blijft meestal onderin zitten en komt op piepen kort omhoog. In de broedtijd is de zang de snelste weg — loop in juni langs een wilgenstruweel in een bergdal en luister naar het borrelende, niet-gorsachtige geluid.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) op de Rode Lijst; de populatie wordt op ongeveer 88 miljoen vogels geschat en is over het hele areaal stabiel. Het broedgebied ligt grotendeels in dunbevolkt boreaal en montaan terrein, waardoor de druk beperkt blijft. Plaatselijk speelt begrazing van natte weiden en oeverstruweel in de westelijke bergen een rol, doordat daar de lage dekking verdwijnt.
Wetenschappelijke naam
Melospiza lincolnii | (Audubon, 1834)
Audubon beschreef de soort in 1834 als Fringilla Lincolnii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het exemplaar werd in 1833 verzameld bij de monding van de Natashquan in het huidige Quebec, tijdens Audubons reis naar Labrador. De soortnaam eert Thomas Lincoln uit Dennysville in Maine, de jonge reisgenoot die de vogel schoot. Het geslacht Melospiza werd in 1858 ingevoerd door Spencer Fullerton Baird, naar het Griekse melos 'lied' en spiza 'vink'.





