Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Lazuligors
Lazuligors | Passerina amoena
Lazuli Bunting | Colorín aliblanco
De lazuligors is de westelijke tegenhanger van de indigogors: het mannetje heeft een lichtblauwe kop en rug, een oranjebruine borst, een witte buik en twee brede witte vleugelstrepen. Hij broedt op droge struweelhellingen en langs beeklopen in het westen van Noord-Amerika en ruit onderweg naar het zuiden in de moessonstreek van Arizona en Sonora.
Geluid
De zang is een hoge, snelle, licht schurende warrel, langer dan die van de indigogors en met minder herhaling van dezelfde lettergreep. Elk mannetje bouwt in zijn eerste zomer een eigen strofe door fragmenten van verschillende buurmannen te herschikken; die strofe verandert daarna niet meer. Mannetjes uit dezelfde zangbuurt hebben daardoor sterk op elkaar lijkende zangen en reageren feller op een vreemde strofe dan op die van een buurman. De roep is een droge pit.
Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Elk Mtn Rd, Lake County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje in broedkleed heeft kop, nek en rug turkooisblauw, een oranjebruine band over de borst, een witte buik en twee witte vleugelstrepen, waarvan de bovenste de bredere is. Het vrouwtje is grijsbruin van boven, met een licht okerkleurige borst zonder streping, een bleke keel en twee smalle, bleke vleugelstrepen. Jonge mannetjes in hun eerste zomer tonen een mengeling van bruin en blauw. De snavel is kort en kegelvormig met een lichte ondersnavel.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de indigogors is over het hele lichaam blauw, zonder oranje borstband, witte buik of witte vleugelstrepen. De blauwe bisschop is groter, met een veel zwaardere snavel en roodbruine in plaats van witte vleugelstrepen. De vrouwtjes lijken het meest op elkaar: het vrouwtje van de lazuligors is ongestreept op de borst en heeft duidelijke bleke vleugelstrepen, tegenover de fijne streping en vagere vleugelstrepen van het indigogorsvrouwtje. In de overlapzone op de Great Plains komen hybriden voor met een blauwe kop en een gedeeltelijke oranje borstband.
Leefgebied
Droge struweelhellingen, chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat), ruigten langs beken en rivieren, open dennen- en eikenbos met een dichte struiklaag, en tuinen aan de rand van bebouwing. Van zeeniveau tot ruim 2900 meter. Recent afgebrande hellingen met opslag worden snel bezet; zwaar uitgekapt gesloten bos wordt gemeden. In de winter gebruikt hij in West-Mexico verruigde akkers, doornbos en secundair dennen-eikenbos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van West-Noord-Amerika, ruwweg ten westen van de honderdste meridiaan, van Zuid-Brits-Columbia, Alberta en Zuidwest-Saskatchewan tot Zuid-Californië, Centraal-Arizona, Centraal-New Mexico, West-Texas en het uiterste noordwesten van Neder-Californië. Na het broeden trekken de vogels naar Zuid-Arizona, Zuid-New Mexico en Noord-Sonora, waar ze in de moessonregens een tot twee maanden blijven om te ruien. Daarna gaat de trek door naar het overwinteringsgebied aan de westkant van Mexico, van Sinaloa en Durango zuidwaarts tot Oaxaca.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem van eind april tot juli op een struweelhelling of langs een beek, waar de mannetjes vanaf de top van een struik zingen; een verbrand of pas gekapt hellingdeel met jonge opslag geeft de grootste dichtheid. Let bij bruine vogels eerst op de vleugelstrepen en de ongestreepte borst voordat je aan indigogors denkt.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 5,6 miljoen vogels, met een score van 9 van 20 op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) en de status niet bedreigd (LC). De trend was tussen 1966 en 2015 tamelijk stabiel. Het grootste deel van de populatie brengt een deel van het jaar in de Verenigde Staten door en vrijwel de hele populatie verblijft enige tijd in Mexico; ongeveer een zevende broedt in Canada. Het verdwijnen van ruigte langs beken in het droge westen en het opruimen van struweel zijn de belangrijkste knelpunten.
Wetenschappelijke naam
Passerina amoena | (Say, 1822)
Thomas Say beschreef de soort in 1822 als Emberiza amoena; omdat ze later naar Passerina ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerina voerde Vieillot in 1816 in, naar het Latijnse passer 'mus'. De soortnaam amoena is Latijn voor 'bekoorlijk'. Het beschreven exemplaar kwam uit de Rocky Mountains bij de bron van de Arkansas, later gepreciseerd als de omgeving van Cañon City in Colorado. De naam lazuli verwijst naar lapis lazuli, de blauwe steen; de Spaanse naam colorín aliblanco noemt in plaats daarvan de witte vleugelstrepen.




