Alle soorten › Zangvogels › Spotlijsters › Langsnavelspotlijster
Langsnavelspotlijster | Toxostoma longirostre
Long-billed Thrasher | Cuitlacoche piquilargo
De langsnavelspotlijster is de spotlijster van het doornstruweel langs de Golfkust van Noordoost-Mexico en de benedenloop van de Rio Grande. Hij lijkt sterk op de rosse spotlijster, maar heeft een langere, zwartere snavel, een grijzer gezicht en een oranje iris, en blijft het hele jaar in hetzelfde struweel.
Geluid
De zang is een reeks korte, welluidende frasen die twee tot vier keer worden herhaald, lager en voller van toon dan die van de rosse spotlijster en met minder imitaties. De roep is een luid, helder fluitend tsjoe-ie dat door het dichtste struweel heen draagt, daarnaast een scherp tsjak en een ratelend gekwetter. Hij zingt vooral van februari tot mei, ook midden op de dag.
Opname: Scott Gravette — CC BY-NC-SA 4.0 · Choke Canyon SP, Calliham Unit, McMullen County, Texas, United States · xeno-canto
Herkenning
Grijsbruine kruin en gezicht, roodbruine rug, stuit en staart, en witte onderdelen met scherpe, zwarte lengtestrepen op borst en flanken. De iris is oranje tot oranjegeel, de snavel lang, zwart en duidelijk gebogen, langer dan de kop breed is. De vleugeldekveren hebben smalle witte toppen. De geslachten zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De rosse spotlijster overwintert in hetzelfde gebied: die is warmer roodbruin over de hele bovenzijde, inclusief de kruin, heeft roomkleurige in plaats van witte onderdelen, bruinere en minder scherp afgetekende strepen, een kortere en bleker gebaseerde snavel en een gele iris. De krombekspotlijster deelt het areaal in Noordoost-Mexico en West-Texas, maar is effen grijsbruin met vage vlekken, zonder roodbruin en zonder scherpe streping. De spotlijster is grijs met grote witte vleugelvlekken en witte staartzijden.
Leefgebied
Dicht, doornig struweel en laag bos van het Tamaulipaanse type, met mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes), huisache, acacia, netelboom, granjeno en zuilcactus, en daarnaast wilgenstroken en oeverbos langs rivieren. Hij foerageert op de grond onder de dekking en gooit daarbij bladeren en losse grond opzij. Waar het struweel is gekapt verdwijnt hij; in verwilderde citrusaanplant en in begroeide dorpsranden houdt hij stand.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Van Zuid-Texas — noordwaarts tot ongeveer San Antonio en Aransas County — door Tamaulipas, Nuevo León en Zuidoost-Coahuila zuidwaarts tot San Luis Potosí, Hidalgo, Querétaro, Noord-Veracruz en Noord-Puebla. De soort trekt niet; buiten de broedtijd verplaatst hij zich hooguit lokaal. Ten noorden van het Rio Grande-dal breidde hij zich uit toen mesquite oprukte in voormalig grasland. Buiten dit gebied is hij een uitgesproken zeldzaamheid.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans is in maart in de reservaten van de benedenloop van de Rio Grande, langs een pad door dicht struweel: luister eerst op het luide fluitende tsjoe-ie en zoek daarna de vogel op de grond onder de struiken. Let bij elke bruine spotlijster in dit gebied op de iriskleur — oranje bij deze soort, geel bij de overwinterende rosse spotlijster.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 280.000 vogels; op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) staat de soort op 12 van de 20 punten. In de Verenigde Staten namen de aantallen tussen 1966 en 2015 toe, naar schatting 6,1 procent per jaar, doordat mesquite zich uitbreidde over voormalig grasland. Daar staat tegenover dat van het oorspronkelijke Tamaulipaanse struweel in de benedenloop van de Rio Grande minder dan vijf procent over is; de rest is omgezet in akkerland en bebouwing. Het resterende areaal is sterk versnipperd.
Wetenschappelijke naam
Toxostoma longirostre | (de Lafresnaye, 1838)
Frédéric de Lafresnaye beschreef de soort in 1838 als [Orpheus] longirostris, naar materiaal uit Mexico; omdat ze later in Toxostoma is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Toxostoma gaat terug op het Griekse toxon 'boog' en stoma 'mond'. De soortnaam longirostre komt van het Latijnse longus 'lang' en rostrum 'snavel'; de Nederlandse, Engelse en Spaanse naam zeggen alle drie hetzelfde.




