Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Krombekstrandloper

Krombekstrandloper | Calidris ferruginea

Curlew Sandpiper | Correlimos zarapitín

De krombekstrandloper is een slanke strandloper met lange poten en een gelijkmatig naar beneden gebogen snavel, in het voorjaar roestrood over kop, hals en buik. Hij broedt op de droge toendra van Noord-Siberië en overwintert van Afrika tot Australië. In Noord-Amerika broedt hij vrijwel nooit: er duiken elk jaar enkele vogels op, vrijwel allemaal aan de oostkust.

Krombekstrandloper (Calidris ferruginea)
Foto: Imran Shah — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een korte, licht rollende tsjirrup, zachter en voller dan het rauwe krie van de bonte strandloper, en meestal het enige wat je van een dwaalgast hoort. Bij onraad roepen beide geslachten een hard, doordringend wik wik wik. Op de broedgronden zingt het mannetje een reeks in delen: eerst korte inleidende noten, dan een hoog getjilp dat op en neer gaat, en tot slot lage, klagende fluittonen. Losse stukken van die zang worden ook buiten de baltsvlucht als roep gebruikt. Buiten de broedtijd is de soort niet luidruchtig, maar in een groep bonte strandlopers verraadt de afwijkende roep hem soms eerder dan het oog.

Luister: VluchtroepXC1175163

Opname: Xavier Riera — CC BY-NC-SA 4.0 · Baix Ebre (near L'Ampolla), Tarragona, Catalunya, Spain · xeno-canto

Herkenning

In broedkleed zijn kop, hals, borst en buik diep baksteenrood, met witte veerpuntjes die het rood aan het eind van het seizoen doen verbleken; de bovenzijde is een grof patroon van zwart, roestbruin en grijs. Het vrouwtje is doorgaans doffer en heeft meer wit op de buik dan het mannetje. In winterkleed is de vogel effen grijs van boven en wit van onderen, met een lange, duidelijke witte wenkbrauwstreep. Jonge vogels hebben nette, licht omzoomde veren die de rug een geschubd aanzien geven, en een perzikkleurige waas over de borst. De snavel is zwart, lang en over de hele lengte gelijkmatig naar beneden gebogen; de poten zijn zwart en langer dan bij de meeste strandlopers, zodat de vogel hoger op de poten staat. In de vlucht is een brede witte band over de stuit het snelste kenmerk.

Verwarrings­soorten

De bonte strandloper (Calidris alpina) is de soort waar het altijd om gaat: die is korter van poot, heeft een dikkere snavel die pas aan de punt knikt, een donkere streep midden over de stuit en in broedkleed een zwarte buikvlek in plaats van een rode. De steltstrandloper (C. himantopus) heeft eveneens een witte stuit maar groengele poten, een rechtere snavel en een gebandeerde onderzijde in broedkleed. De kanoet (C. canutus) is groter en zwaarder, met een korte rechte snavel. Staat er een groep bonte strandlopers, kijk dan naar de vogel die er langer en hoger uitziet en telkens een halve stap voorloopt; als hij opvliegt beslist de witte stuitband.

Leefgebied

Buiten de broedtijd is dit een vogel van ondiep zout en brak water: wadplaten en slikranden van estuaria, poelen in de kwelder, zoutpannen, ingedijkte kustplassen en lagunen. Hij waadt daarbij dieper dan de bonte strandloper, tot aan de buik, en boort met de lange snavel snel en herhaald in de zachte modder. In het binnenland gebruikt hij oevers van meren, rijstvelden en waterzuiveringsvijvers. Buiten de broedtijd zit hij vrijwel altijd in groepen, in Afrika en Azië met honderden of duizenden tegelijk en vaak tussen bonte strandlopers. Broeden doet hij op de drogere toendra van Noord-Siberië, op ruggen met korstmos en dwergwilg vlak bij natte laagten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van het schiereiland Jamal oostwaarts tot het noordwesten van Tsjoekotka, met de Nieuw-Siberische Eilanden erbij. Overwinteren doet hij van Zuid-Europa en heel Afrika oostwaarts door Zuid-Azië tot Taiwan en de Filipijnen en zuidwaarts tot Australië en Melanesië. Van alle Siberische strandlopers dwaalt hij het verst af: elk jaar bereiken enkele vogels de Atlantische kust van Noord-Amerika, van New England tot de Mid-Atlantische staten, en verder weg zijn er losse waarnemingen tot in Florida, Californië en westelijk Alaska. De meeste van die vogels zijn volwassen en dragen nog broedkleed; ze verschijnen in mei en opnieuw van juli tot september. Bij Point Barrow in Alaska is een enkele keer een nest gevonden, maar in de meeste jaren ontbreekt de soort daar geheel.

Waar en wanneer kijken

De beste kans ligt van eind juli tot begin september op een ingedijkte kustplas of een zoutpan aan de oostkust, in een groep bonte strandlopers bij opkomend tij. Loop de groep langs op zoek naar een vogel die iets hoger staat, langer van snavel is en dieper waadt dan de rest. Laat de groep vervolgens opvliegen of wachten tot dat vanzelf gebeurt: de brede witte stuitband is op afstand te zien en laat geen twijfel.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als kwetsbaar (VU). De wereldpopulatie wordt op 420.000 tot 960.000 vogels geschat en is tussen 2010 en 2024 met 30 tot 49 procent gedaald. Het verlies van wadplaten op de tussenstops, van de Gele Zee tot de kusten van West-Afrika, geldt als de zwaarste oorzaak, met daarnaast jacht en de opwarming van het broedgebied. Het broedsucces hangt sterk af van de lemmingenstand in Siberië: in jaren met weinig lemmingen richten poolvossen en jagers zich op de nesten en komen er nauwelijks jonge vogels door, wat aan de Atlantische kust van Noord-Amerika direct is te merken aan het aantal jonge vogels dat er opduikt.

Wetenschappelijke naam

Calidris ferruginea | (Pontoppidan, 1763)

Erik Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Tringa Ferrugineus, in het eerste deel van Den Danske Atlas; sinds ze in het geslacht Calidris is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. ferruginea is Latijn voor 'roestkleurig', van ferrugo, 'ijzerroest', naar het baksteenrode broedkleed. De oorspronkelijke naam had nog de mannelijke uitgang ferrugineus; die is bij de overgang naar het vrouwelijke geslachtsnaam Calidris aangepast. Een typelocatie is bij deze beschrijving niet vastgelegd. Het geslacht Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, bij Aristoteles de naam van een grijs gespikkelde vogel van de waterkant.