Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Krakeend
Krakeend | Mareca strepera
Gadwall | Ánade friso
De krakeend is de eend die pas opvalt als hij opvliegt: van dichtbij een ingetogen grijsbruine verschijning, maar in de vlucht flitst bij beide seksen een helderwit vleugelveld op. Hij broedt in de prairiepoelen van het noorden van de Great Plains en overwintert tot diep in Mexico, en is de afgelopen decennia sterk in aantal toegenomen.
Geluid
Het mannetje laat een kort, droog boertje horen — een schorre errp die hij twee tot vijf keer achter elkaar herhaalt, vaak in de vlucht — en daarnaast een hoog fluittoontje. Het vrouwtje kwaakt als een wilde eend, maar hoger en neuzeliger: een reeks afnemende kwek-kwek-kwek's. Buiten het broedseizoen is de krakeend een van de stillere eenden, en hij verraadt zich dan eerder door het geluid van zijn vleugels bij het opvliegen dan door zijn stem.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Rainham Marshes, London, United Kingdom · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is een grijze eend met een fijn, bijna zwart-wit geschubd verenkleed op hals en borst en een vlakkere, grof gevermiculeerde grijze flank; het achterlijf is zwart, en de snavel is effen donker. Het vrouwtje is gevlekt bruin, sterk gelijkend op een vrouwtjeswilde eend, maar met een dunnere, donkere snavel met oranje randen en een vlakker profiel. Beide seksen dragen een wit vleugelveld dat in de vlucht als een helder vlekje opvalt, bij het mannetje geflankeerd door zwart en kastanjebruin. Jonge vogels lijken op het vrouwtje. Het silhouet verraadt de soort al van ver: een vrij groot, vierkant hoofd met een steil voorhoofd en een merkbaar dunnere snavel dan de wilde eend, en in de vlucht een slanker lichaam.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje wordt het vaakst verward met het vrouwtje van de wilde eend, maar heeft een dunnere, donkerdere snavel met oranje langs de randen in plaats van een brede oranje snavel met zwarte vlekken, en een wit in plaats van blauw vleugelveld. Van het vrouwtje van de Amerikaanse smient onderscheidt de krakeend zich door de langere, donkere snavel — bij de smient kort en lichtgrijs — en door het ontbreken van een witte buikvlek die bij de smient in de vlucht opvalt. Het mannetje kan van een afstand voor een Amerikaanse smient worden aangezien, maar mist diens kaneelkleurige flanken en groene oogstreep, en heeft in plaats daarvan een egaal grijze romp met een zwart achterlijf.
Leefgebied
De krakeend zoekt open zoet water met een rijke onderwatervegetatie: prairiepoelen, ondiepe meren, moerassen en — meer dan de meeste eenden — aangelegde stuwmeren en spaarbekkens, waar hij waterplanten van het oppervlak plukt in plaats van te grondelen zoals de wilde eend. Hij mijdt snelstromend water en de volle getijdenkust, maar duikt in de winter wel geregeld estuaria en beschutte lagunes met brak water op. Dichte oevervegetatie gebruikt hij om te broeden, het liefst op een eilandje of aan het eind van een schiereiland, buiten bereik van lopende roofdieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van de prériën van Alberta, Saskatchewan en Manitoba tot in de noordelijke Great Plains en rond de Grote Meren, en overwintert zuidwaarts door bijna de hele Verenigde Staten tot diep in Mexico. Sinds de jaren tachtig is de krakeend sterk toegenomen en heeft hij zijn broedgebied oostwaarts uitgebreid, tot in streken waar hij een eeuw geleden nog ontbrak. De trek verloopt overwegend 's nachts, in kleine tot middelgrote groepen, en veel vogels blijven zo noordelijk mogelijk overwinteren zolang er open water is.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem tussen groepen Amerikaanse smienten op een groot stuwmeer of moerasreservaat: krakeenden mengen zich graag met andere grondeleenden en vallen dan vooral op door hun effen grijze kleur tussen de fellere soorten. Let bij opvliegende vogels op het witte vlekje in de vleugel — op afstand vaak het enige bruikbare kenmerk — en luister naar het droge boertje van het mannetje.
Staat van instandhouding
De Noord-Amerikaanse populatie wordt op ruim 2,4 miljoen vogels geschat, duidelijk boven het langjarig gemiddelde van de tellingen en een veelvoud van de aantallen uit het midden van de twintigste eeuw. De groei hangt samen met de aanleg van stuwmeren en spaarbekkens, waar de soort dankbaar gebruik van maakt, en met het herstel van prairiewetlands. Hij wordt in delen van zijn areaal bejaagd, binnen quota die op de jaarlijkse tellingen zijn gebaseerd; van een specifieke bedreiging is verder geen sprake.
Wetenschappelijke naam
Mareca strepera | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas strepera; omdat ze sinds 1824 in het geslacht Mareca is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dat geslacht werd dat jaar ingevoerd door Stephens, naar het Portugese marreca, 'kleine eend'. strepera is Laatlatijn voor 'luidruchtig', naar de roep. De typelocatie ligt in Europa; Linnaeus zelf beperkte haar in 1761 tot Zweden.




