Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Koperwiek
Koperwiek | Turdus iliacus
Redwing | Zorzal alirrojo
De koperwiek is een kleine Euraziatische lijster die sinds 1990 in het zuidwesten van Groenland broedt en verder in het gidsgebied alleen als zeldzame gast verschijnt, vooral in de winter aan de oostkust van Canada. Roestrode flanken en ondervleugels en een lange witte wenkbrauwstreep maken hem herkenbaar.
Geluid
De zang bestaat uit een korte, dalende reeks fluittonen, vaak drie tot vijf, gevolgd door een zacht, onregelmatig getjilp; de inleidende frase verschilt per streek, zodat vogels binnen één gebied vrijwel hetzelfde openingsmotief gebruiken. De trekroep is een dun, langgerekt en hoog tsiep dat op najaarsnachten ver draagt en waarmee overtrekkende groepen in het donker zijn vast te stellen. In groepen klinkt daarnaast een hard, snel tsjuk.
Opname: Julien Bottinelli — CC BY-NC-SA 4.0 · Mouroux, Seine-et-Marne, Île-de-France, France · xeno-canto
Herkenning
Kleiner dan de meeste lijsters, effen bruin van boven, wit van onderen met dichte, donkere streepvlekken op borst en flanken. Boven het oog loopt een brede, roomwitte wenkbrauwstreep tot ver naar achteren, met daaronder een donkere oogstreep en een lichte baardstreep — een scherp getekend koppatroon. De flanken en de ondervleugeldekveren zijn roestrood; die kleur is in de vlucht van onderen het duidelijkst en gaf de vogel zijn naam. De snavel is donker met een gele basis.
Verwarringssoorten
De kramsvogel is fors groter, met een grijze kop en stuit, een bruine rug en een zwarte staart, en heeft geen wenkbrauwstreep. De zanglijster, waar die in het gidsgebied als gast opduikt, mist de roestrode flanken en de wenkbrauwstreep en heeft ronde in plaats van gestreepte vlekken. De bruine lijster heeft een zwart borstschild en roodbruin in de vleugel. Amerikaanse soorten zijn nauwelijks verwarrend: de Amerikaanse boslijster en de dwerglijsters zijn ongestreept van onderen en missen het koppatroon.
Leefgebied
In het broedgebied berkenbos, wilgenstruweel, open naaldbos en de struweelgordel aan de rand van de toendra; in Groenland lage struiken en kruidenrijke hellingen in de fjorddistricten. Buiten het broedseizoen open land met bessen: heggen, weilanden, boomgaarden, parken en tuinen met lijsterbes, meidoorn en hulst. Hij foerageert veel op de grond, in groepen, vaak samen met kramsvogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal beslaat Noord-Europa en Siberië, van IJsland en Schotland tot Tsjoekotka; overwinterd wordt in West-, Midden- en Zuid-Europa, Noordwest-Afrika en Zuidwest-Azië. In 1990 en 1991 vestigde de soort zich in het zuidwesten van Groenland, rond Qaqortoq, waar sindsdien wordt gebroed. In Canada en de Verenigde Staten is hij een zeldzame gast: de meeste waarnemingen komen uit Newfoundland en de oostelijke provincies in de winter, met enkele gevallen verder naar het zuiden en losse waarnemingen in het westen, waaronder Washington in 2005 en Seward in Alaska in 2011.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Aan de oostkust van Canada is januari tot maart de kansrijkste periode, in een groep roodborstlijsters die een lijsterbes of appelboom leegeet: zoek naar een kleinere vogel met een witte wenkbrauwstreep. In Groenland is de zang in juni het snelste spoor. Let bij opvliegende vogels op de roestrode ondervleugel, die tegen de witte buik afsteekt.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op 98 tot 151 miljoen vogels geschat, waarmee de soort tot de talrijkste lijsters van het Palearctische gebied hoort. In Europa is de afname over tien jaar op bijna dertig procent geraamd, vooral in Fennoscandië; de IUCN houdt de soort niettemin op niet bedreigd (LC). De Groenlandse populatie is klein en staat los van de Noord-Amerikaanse avifauna; jacht op doortrekkende lijsters in Zuid-Europa en verandering van het berkenbos in het noorden zijn de meestgenoemde factoren.
Wetenschappelijke naam
Turdus iliacus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Turdus iliacus, naar vogels uit de Zweedse naaldbossen; omdat de soort nog altijd in het oorspronkelijke geslacht staat, komen auteur en jaartal zonder haakjes. Turdus is het Latijnse woord voor lijster. De soortnaam iliacus hoort bij ile 'flank, lies' en verwijst naar de roestrode flanken. De Nederlandse naam noemt de koperkleurige ondervleugel, de Engelse naam Redwing dezelfde kleur.





