Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Kirtlands zanger
Kirtlands zanger | Setophaga kirtlandii
Kirtland's Warbler | Reinita de Kirtland
Kirtlands zanger broedt vrijwel uitsluitend in uitgestrekte, jonge banksdennenopstanden op arme zandgrond rond de Grote Meren en overwintert in het lage struikgewas van de Bahama's. Het is een van de grootste Amerikaanse zangers, blauwgrijs van boven en geel van onderen, met een staart die vrijwel onafgebroken op en neer wipt.
Geluid
De zang is voor een zanger laag en vol: een reeks van drie of vier lage tsjip-noten, gevolgd door hogere, luidere slotnoten, ongeveer tsjip-tsjip-tsjip-tjoe-tjoe-wiet-wiet, met een stijgend slot. Op stille ochtenden is hij over meer dan vierhonderd meter te horen, verder dan de meeste zangers van vergelijkbaar formaat. De roep is een lage, doffe tsjip. Het mannetje zingt vanaf een tak in de top van een jonge den of een eik aan de rand van de opstand.
Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Curtis & Kobbs Rd, Michigan, United States · xeno-canto
Herkenning
Groot voor een zanger, met een lange staart. Het mannetje is blauwgrijs van boven met zwarte streepjes op mantel en rug, geel van onderen met zwarte streping langs de flanken, en heeft een zwarte teugel en twee korte witte oogboogjes boven en onder het oog. Het vrouwtje is bruiner grijs en doffer gestreept. Beide geslachten wippen voortdurend met de staart, een gedrag dat bij de noordelijke soorten van dit geslacht ongebruikelijk is en op afstand al opvalt. Hij foerageert laag, vaak in de onderste takken van jonge dennen en op de bodem daaronder.
Verwarringssoorten
De prairiezanger wipt ook met de staart, maar is duidelijk kleiner, olijfgroen van boven met kastanjekleurige vlekken op de rug, en heeft een zwarte streep door het oog en een tweede onder de wang. De magnoliazanger heeft een witte vleugelbalk en een brede witte band dwars over de staart. De Canadese zanger heeft een halssnoer van zwarte streepjes en een ongestreepte grijze rug. De combinatie van een grijze, zwart gestreepte rug, gebroken witte oogboogjes en het aanhoudende staartwippen is eenduidig.
Leefgebied
Aaneengesloten opstanden jonge banksden van ongeveer vier tot vijfentwintig jaar oud en anderhalf tot zes meter hoog, op arme, doorlatende zandgrond, in blokken van ten minste vijfenzestig hectare, met open plekken tussen de dennengroepen en levende takken die tot op de grond doorlopen — daaronder staat het nest, op de bodem. Zulke opstanden ontstonden van nature na bosbrand; nu worden ze in blokken aangeplant. In de winter zit hij in laag, droog struikgewas en coppice (laag, dicht struweel op kalksteen, Caribisch en Zuid-Florida) op de buitenste Bahama-eilanden, waar hij vooral vruchten eet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt vrijwel geheel in het noorden van het Lower Peninsula van Michigan, met kleinere aantallen in het Upper Peninsula, in Wisconsin en in Ontario. De overwintering is vrijwel volledig beperkt tot de Bahama's, met kleine aantallen op de Turks- en Caicoseilanden. De trek verloopt in een smalle band via Ohio, zuidelijk Ontario en de Carolinas; waarnemingen buiten die band zijn schaars en worden per geval vastgelegd.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De periode is eind mei tot begin juli, in de beheerde banksdenblokken bij Grayling en Mio in Michigan. De broedgebieden zijn in die periode alleen met een geleide excursie toegankelijk; daarbuiten blijf je op de weg en scan je de toppen van de jonge dennen. De zang draagt ver, dus rijd langzaam met open raam en stap uit zodra je hem hoort.
Staat van instandhouding
In 1974 werden slechts 167 zingende mannetjes geteld. Door twee maatregelen tegelijk — het kappen en opnieuw inplanten van banksden in blokken, zodat er doorlopend jonge opstanden zijn, en het wegvangen van bruinkopkoevogels, die hun eieren in de nesten legden — steeg het aantal tot ruim 2300 paar in 2018. De soort stond zeventien jaar achtereen boven de hersteldoelstelling van duizend paar en werd in 2019 van de Amerikaanse lijst van bedreigde soorten geschrapt. De IUCN houdt hem op gevoelig (NT): de populatie blijft afhankelijk van doorlopend beheer, want zonder nieuwe aanplant groeien de bestaande opstanden binnen enkele tientallen jaren uit het bruikbare stadium.
Wetenschappelijke naam
Setophaga kirtlandii | (Baird, 1852)
Spencer Fullerton Baird beschreef de soort in 1852 als Sylvicola kirtlandii, naar Jared Potter Kirtland, arts en natuuronderzoeker in Ohio, op wiens land bij Cleveland het beschreven exemplaar werd verzameld; door de latere geslachtswisseling staan auteur en jaartal tussen haakjes. Setophaga komt van het Griekse ses, tweede naamval setos, 'mot' en phagos 'etend': 'motteneter'. Het eerste nest werd pas in 1903 gevonden, ruim vijftig jaar na de beschrijving.



