Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Kauaʻi-ʻamakihi
Kauaʻi-ʻamakihi | Chlorodrepanis stejnegeri
Kauaʻi ʻAmakihi | ʻAmakihi de Kauaʻi
De Kauaʻi-ʻamakihi is de grootste en de zeldzaamste van de drie overgebleven ʻamakihi's, en komt alleen voor op Kauaʻi. Hij heeft een zwaardere, sterker gebogen snavel dan zijn verwanten en is teruggedrongen tot het natte bergbos van het Alakai-plateau en de omliggende ruggen.
Geluid
De zang is een korte, muzikale triller van een à twee seconden die de toonhoogte en het tempo vasthoudt, vaak gegeven vanuit de top van een ʻohiʻa. De roep is een nasaal, kort tsjiep, dat de vogel tijdens het foerageren met tussenpozen laat horen; in de mist van het Alakai is dat vaak het enige teken van aanwezigheid. Het vrouwtje roept even vaak als het mannetje, maar zingt weinig.
Opname: Melissa Hafting — CC BY-NC-SA 4.0 · Kauai County, Hawaii, United States · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer elf centimeter, forser dan de andere ʻamakihi's, met een bleke, lange en sterk naar beneden gebogen snavel. De bovendelen zijn olijfgroen, de onderdelen geel; tussen snavel en oog staat een donkere teugelvlek. Het mannetje is helderder gekleurd en heeft een duidelijk grotere snavel dan het vrouwtje, dat doffer groengrijs is. De vogel klimt langs stammen en zijtakken en hangt daarbij regelmatig ondersteboven.
Verwarringssoorten
De ʻakekeʻe, die hetzelfde bos bewoont, heeft een korte, kegelvormige blauwgrijze snavel met een zijwaarts verbogen punt, een geelgekleurde kruin en een gevorkte staart met een inkeping; de Kauaʻi-ʻamakihi heeft een lange gebogen snavel en een rechte staart. De ʻanianiau is kleiner, helderder geel, zonder donkere teugel en met een kortere, veel minder gekromde snavel. De Japanse brilvogel heeft een witte oogring en een dunne rechte snavel.
Leefgebied
Vochtig en nat bergbos met ʻohiʻa en koa (Acacia koa, een inheemse Hawaïaanse boom), in de praktijk boven zeshonderd meter en het talrijkst boven elfhonderd meter, waar muggen het grootste deel van het jaar niet komen. De vogel foerageert vooral langs stammen, zware takken en tussen mos en korstmos, op zoek naar insecten en spinnen, en drinkt daarnaast nectar en eet vruchtjes. Hij doorboort de bloembasis om bij nectar te komen in plaats van de bloem van voren te bezoeken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal beslaat het noordwesten en het binnenland van Kauaʻi: het Alakai-wildernisgebied, het Kokee-gebied en Waimea Canyon, de Napali-plateaurand en de Makaleha-bergen. Vroeger kwam hij tot in het laagland voor; dat deel van het areaal is verdwenen. De populatie wordt op ongeveer 2.200 tot 4.400 volwassen vogels geschat en neemt af, waarbij ook de bovengrens van het bos geen ontsnapping meer biedt doordat muggen steeds hoger komen.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
De Pihea Trail en de Alakai Swamp Trail bij Kokee State Park geven de grootste kans; ga bij opklaring in de vroege ochtend, want bij aanhoudende mist blijft het bos stil. Kijk naar de snavel en de foerageerhouding: een groengele vogel die langs een stam omhoog werkt met een lange kromme snavel is deze soort, een vogel die aan de buitenste bladbosjes plukt eerder de ʻakekeʻe.
Staat van instandhouding
De soort staat als bedreigd (EN) op de Rode Lijst. Vogelmalaria en vogelpokken, overgebracht door de ingevoerde huissteekmug, zijn de bepalende druk; door opwarming schuift het muggenseizoen jaar na jaar hoger het bos in, waardoor het ziektevrije deel van Kauaʻi krimpt. Daarnaast spelen aantasting van het bos door zwijnen en geiten, invasieve planten en predatie door ratten. Sinds 2025 worden op Kauaʻi steriele mannetjesmuggen uitgezet om de overdracht te onderbreken; het effect op de vogelaantallen is nog niet vastgesteld.
Wetenschappelijke naam
Chlorodrepanis stejnegeri | (Wilson, 1890)
Scott Barchard Wilson beschreef de soort in 1890 als Himatione stejnegeri; omdat ze later in een ander geslacht werd geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert Leonhard Stejneger, de Noors-Amerikaanse zoöloog van het Smithsonian. Het geslacht Chlorodrepanis werd in 1899 ingevoerd door Robert Perkins, uit het Griekse khloros 'groen' en drepanis 'sikkel'. Het Hawaïaanse ʻamakihi verwijst naar de kromming van de snavel.

