Alle soorten › Zangvogels › Cettizangers › Japanse struikzanger
Japanse struikzanger | Horornis diphone
Japanese Bush Warbler | Cetia japonés
Op Hawaï is de Japanse struikzanger overal te horen en bijna nergens te zien: een bruin vogeltje van dicht struikgewas dat zich verraadt met een fluittoon die een heel dal doorkruist. In 1929 werd hij op Oʻahu losgelaten; nu zit hij op alle grote eilanden behalve Niʻihau, van tuinen aan zee tot in het bergbos. Wie er wandelt hoort hem tientallen keren per ochtend en ziet hem misschien één keer.
Geluid
De zang bestaat uit twee delen die nauwelijks bij elkaar lijken te horen: eerst een hoge, zuivere fluittoon van twee tot drie seconden, hoooo, en daarna een korte, uitbarstende slotfrase, ho-kek-kjo. Hij zingt van februari tot juli, meestal onzichtbaar in de dekking en soms bij het eerste licht vanaf een kale tak. Wie hem stoort krijgt iets anders te horen: een hard, ratelend kek-kjo kek-kjo, en daarnaast een droog tikken. In Japan heet de vogel 'uguisu', en juist die eerste fluittoon geldt daar in de dichtkunst als het teken dat de lente begint.
Opname: Jerome Chie-Jen Ko — CC BY-NC-SA 4.0 · Shibecha, Kawakami District, Hokkaido, Japan · xeno-canto
Herkenning
Vijftien tot achttien centimeter, met korte, ronde vleugels en een lange, getrapte staart die vaak iets omhoog wordt gehouden. Boven olijfbruin met roestige tinten in vleugels en staart, onder vuilwit met okerkleurige flanken; over het oog loopt een smalle lichte streep met daaronder een donkere lijn. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit maar verschillen sterk in formaat: een mannetje weegt ongeveer tweemaal zoveel als een vrouwtje — het gewicht loopt van negen tot eenentwintig gram — zodat een paar bij elkaar op twee soorten lijkt. De snavel is fijn en spits, de poten zijn bleek en stevig, en vleugelstrepen of vlekken ontbreken volledig.
Verwarringssoorten
De Japanse nachtegaal (Leiothrix lutea) houdt zich in hetzelfde struikgewas verborgen, maar is bont: rode snavel, oranjegele keel en geel en rood in de vleugel. De Japanse brilvogel (Zosterops japonicus) is veel kleiner en groen, heeft een witte oogring en trekt in losse groepjes door de kronen in plaats van door de onderlaag. In inheems bos kan de hawaii-ʻelepaio verwarring geven: die heeft twee witte vleugelstrepen en zet zijn zwart-witte staart rechtop. Blijft er een bruin vogeltje van een halve seconde over, dan beslissen de lange getrapte staart en het volstrekt tekeningloze verenkleed.
Leefgebied
Dichte onderbegroeiing: ravijnen vol guave en gember, verwilderd struikgewas, randen van plantages, tuinen met hoge hagen, en de onderlaag van inheems ʻohiʻa- en koabos. Hij komt van zeeniveau tot ongeveer tweeduizend meter voor en wordt daarboven schaars. Wat hij vraagt is een struiklaag die tot op de grond gesloten is; open terrein en kale bosbodem gebruikt hij niet. Ook in het bergbos blijft hij laag, tussen varens en stamvoeten, zelden hoger dan een paar meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Zijn eigen gebied ligt in Japan, Korea en het noordoosten van China, buiten deze kaart. Op de kaart staat alleen Hawaï, waar vanaf 1929 op Oʻahu vogels werden losgelaten — tot 1941 in totaal ongeveer honderdveertig, deels om insecten te bestrijden en deels om de zang. Een halve eeuw bleef hij tot Oʻahu beperkt; daarna stak hij over: Molokaʻi in 1979, Maui en Lanaʻi in 1980, Kauaʻi in 1983 en het eiland Hawaï in 1997. Op het Alakai-plateau van Kauaʻi alleen al werden in 2012 vier- tot achtduizend vogels geschat. Op Kahoʻolawe is hij sinds 1992 af en toe vastgesteld zonder er een vaste groep te vormen, en van Niʻihau zijn geen meldingen; die twee eilanden blijven op het kaartje daarom ongekleurd.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Je hoort hem eerst. Ga tussen februari en juli in de ochtend stil aan de rand van een ravijn of een dichte haag staan en wacht; de zanger zit meestal binnen tien meter, in het dichtste deel. De kans om hem te zien is het grootst bij het eerste licht, wanneer hij even op een open twijgje komt, of op het ogenblik dat hij een pad oversteekt. De paden boven Honolulu en het bos van Kokee op Kauaʻi zijn daarvoor zo goed als elke andere plek.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). In zijn eigen gebied is hij algemeen, en op Hawaï is hij een van de talrijkste vogels van de onderlaag geworden; zijn aantallen worden bij de jaarlijkse bosvogeltellingen meegeteld. Beheerd of bestreden wordt hij er niet. De uitzetting van 1929 was mede bedoeld om insecten in gewassen te bestrijden; wat hij werkelijk eet zijn insecten en spinnen van de onderste struiklaag, ook in inheems bos.
Wetenschappelijke naam
Horornis diphone | (Kittlitz, 1830)
Kittlitz beschreef de soort in 1830 als Sylvia diphone, naar vogels van de Bonin-eilanden (Ogasawara); omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Horornis werd in 1845 ingevoerd door Hodgson, uit het Griekse hora, 'seizoen, voorjaar', en ornis, 'vogel'. diphone is Grieks voor 'tweestemmig', naar de twee volstrekt verschillende geluiden die de vogel maakt. De naam legt daarmee precies vast wat in het veld opvalt: de fluittoon en de ratel zijn nauwelijks als één vogel te horen.



