Alle soorten › Zangvogels › Monarchen › Hawaiʻi-ʻelepaio
Hawaiʻi-ʻelepaio | Chasiempis sandwichensis
Hawaiʻi ʻElepaio | ʻElepaio de Hawái
De hawaii-ʻelepaio is een kleine, rusteloze bosvogel met een lange staart die vaak schuin omhoog staat, en hij komt uitsluitend voor op het eiland Hawaï. Hij is een van de weinige inheemse bosvogels van dat eiland die zich ook in aangeplant, uitheems bos en in lager, verstoord terrein staande houdt — en daardoor vaak de eerste vogel die een bezoeker er te zien krijgt.
Geluid
Het geluid waaraan hij te herkennen is, is een helder, ver dragend fluitje van vier lettergrepen met de klemtoon achterin. Daarnaast heeft hij een scherp tsjiep dat bij onrust snel achter elkaar wordt herhaald, en een droge ratel waarmee hij een indringer uitscheldt. Zang en roep verschillen per streek: vogels uit het natte bos rond de vulkanen klinken anders dan die van de droge westflank, en die verschillen zijn stabiel genoeg om ze in het veld te horen. Er klinkt het hele jaar geluid, het meest in de broedtijd van januari tot juni, en een zacht piepend geluid van een mens wordt vrijwel altijd beantwoord.
Opname: Daniel Lane — CC BY-NC-SA 3.0 · Manuka State Park, Kona coast, Hawai'i (Big , United States · xeno-canto
Herkenning
Bruin van boven en wit van onderen met lichte streping, en met drie kenmerken die bij elke vogel gelijk blijven: een witte stuit, twee witte vleugelstrepen en witte punten aan de staartpennen. De keel is grotendeels zwart bij het mannetje en wit bij het vrouwtje. Verder is het kleed veranderlijk: vogels uit koel, droog bos zijn bleker en grijzer, met een bijna witte kop, terwijl vogels uit warm, vochtig bos donker tot roestbruin zijn. Jonge vogels zijn grijsbruin van boven en witachtig van onderen, met roestkleurige vleugelstrepen en een roestige stuit. De staart is lang en wordt vaak schuin of recht omhoog gedragen, wat het silhouet meteen verraadt.
Verwarringssoorten
De twee andere ʻelepaio's, Chasiempis sclateri van Kauaʻi en C. ibidis van Oʻahu, zitten elk op hun eigen eiland: wie weet waar hij staat, kan ze niet verwisselen. Op Hawaï zelf is de Japanse struikzanger de vaakst gemaakte vergissing — even bruin, maar zonder wit in vleugel, stuit en staart, luid zingend vanuit dichte dekking en bijna nooit in het open. De hawaii-ʻamakihi (Chlorodrepanis virens) is geelgroen met een korte gebogen snavel en zit meestal in bloeiende kronen, terwijl de ʻelepaio in de middelste bosetage rondscharrelt. Een jonge ʻelepaio heeft nog geen scherpe tekening; let dan op de opgewipte staart en de roestige vleugelstrepen.
Leefgebied
Inheems bergbos van ʻohiʻa lehua en koa (Acacia koa, een inheemse Hawaïaanse boom), vooral boven de 1.100 meter, waar hij het talrijkst is. Anders dan de meeste inheemse bosvogels blijft hij ook lager en in droger bos zitten: het mamane-naiobos op de hoge hellingen van Mauna Kea, halfopen begroeiing, en zelfs aangeplant bos van uitheemse bomen en verruigde randen, zolang er een dichte struiklaag en dood hout zijn. Zijn voedsel zoekt hij in de middelste laag van het bos: kevers, vliegen, rupsen, gaasvliegen en spinnen van blad, bast en dorre takken. Boomloos terrein en jong, kaal lavaveld gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Alleen op het eiland Hawaï; op Kauaʻi en Oʻahu wordt hij vervangen door de twee andere ʻelepaio's, en op de overige eilanden komt er geen voor. Op het eiland zelf zijn drie vormen te onderscheiden: die van het natte bos rond de vulkanen is verreweg de talrijkste, met ruim honderdduizend vogels; die van de drogere Kona-kant telt er enkele tienduizenden; en die van het mamane-naiobos op Mauna Kea nog maar twee- tot tweeënhalfduizend. Vroeger zat hij over het hele eiland, tot in het laagland, maar die laaglandbossen zijn omgezet in weiland, plantage en stad. Trekken doet hij niet, en zwerven nauwelijks: waar hij zit, zit hij het hele jaar.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Een vindplaats is Hawaiʻi Volcanoes National Park: de bospaden bij Kilauea en langs de Mauna Loa Road, vroeg op de ochtend. Kijk niet omhoog in de bloeiende kronen — daar zitten de nectarvogels — maar in de middelste laag en langs dood hout, en let op beweging, want hij zit zelden lang stil. Een zacht piepend geluid werkt beter dan geduld: hij reageert er bijna altijd op, en de opgewipte staart geeft dan meteen uitsluitsel.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT) op de Rode Lijst, met naar schatting 140.000 volwassen vogels: op de meeste plekken een gewone vogel, maar alles bij elkaar op één eiland. De vorm van het natte bos zit ruim; de vorm van Mauna Kea, met twee- tot tweeënhalfduizend vogels in een sterk uitgedund droog bos, is het zorgenkind. De zwarte rat is de belangrijkste directe bedreiging: die pakt broedende vrouwtjes van het nest, en waar ratten worden weggevangen stijgt het broedsucces meetbaar. Anders dan de meeste honingkruipers houdt de ʻelepaio zich ook onder de muggengrens staande, maar het verdwijnen van inheems bos, verwilderd vee en varkens blijven aan de stand knagen.
Wetenschappelijke naam
Chasiempis sandwichensis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Muscicapa sandwichensis, bij de vliegenvangers van de Oude Wereld; omdat ze later in een eigen geslacht kwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chasiempis werd in 1847 ingevoerd door Cabanis, uit het Griekse khaskō, 'gapen', en empis, 'mug': de gapende muggenvanger. sandwichensis verwijst naar de Sandwicheilanden, de naam die Cook aan de archipel gaf. Als typelocatie staat alleen 'Sandwich Islands' opgegeven; Henshaw wees in 1902 Kealakekua Bay op Hawaï als de waarschijnlijke plek aan. In het Hawaïaans heet de vogel ʻelepaio, en het Nederlands, het Engels en het Spaans nemen die naam onveranderd over.

