Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Grote Cubavink

Grote Cubavink | Tiaris olivaceus

Yellow-faced Grassquit | Semillero tomeguín

De grote cubavink is een kleine, olijfgroene zaadeter met een korte kegelvormige snavel. Het mannetje heeft een zwart gezicht en een zwarte borst met een feloranjegele keel, wenkbrauwstreep en vlek onder het oog; het vrouwtje mist dat patroon vrijwel geheel. De soort hoort bij grazige wegbermen, weiden en onkruidvelden van Midden-Mexico tot Nicaragua en van de Grote Antillen, en is op Oʻahu ingevoerd.

Grote Cubavink (Tiaris olivaceus)
Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks hoge, ijle, snelle trillers, insectachtig van klank en zo zacht dat hij vaak alleen van dichtbij hoorbaar is; hij loopt door zonder duidelijk begin of eind. De roep is een zwak zoemend ttttt-tie, meestal gegeven vanuit dekking of tijdens het opvliegen. Mannetjes zingen van een grasstengel, een prikkeldraad of de top van een lage struik, vaak lang achtereen vanaf dezelfde plek.

Luister: ZangXC994774

Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · Soroa, Candelaria, Pinar del Rio, Cuba · xeno-canto

Herkenning

Klein en compact, met een korte, spitse kegelsnavel en een korte staart. Het mannetje is olijfgroen van boven, met een zwart gezicht en een zwarte borst waartegen de oranjegele keel, de gele wenkbrauwstreep en een gele vlek onder het oog scherp afsteken; de rest van de onderdelen is grijzig olijf. Het vrouwtje is dof olijfgroen van boven en bleek grijzig van onderen, met hoogstens een vage gelige zweem op de wenkbrauwstreep en de keel. Zwermt buiten de broedtijd in kleine groepjes tussen hoog gras.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de maskergrondvink is zwart op kop, keel en borst zonder enig geel, en groener op flanken en rug. Bij de vrouwtjes van beide soorten zijn de verschillen het kleinst: die van de grote cubavink is groener met een zweem geel op wenkbrauw of keel, die van de maskergrondvink is doffer en grijsbruiner op de onderdelen; hun arealen overlappen bovendien nauwelijks, want de maskergrondvink ontbreekt op Cuba en op het vasteland van Midden-Amerika. De cubavink van Cuba en de Bahama's heeft een brede gele band die het zwarte gezicht omsluit. Zaadkraaltjes van het geslacht Sporophila hebben een dikkere, bollere snavel.

Leefgebied

Halfopen grasland en onkruidvegetatie: wegbermen, beweide percelen, braakliggende akkers, laag struweel, ruigte langs bosranden en koffieplantages met grazige ondergroei. Hij komt voor van de laagvlakte tot ongeveer 2300 meter en mijdt gesloten bos en kaal, kort afgegraasd land. Gezaaid en wildgroeiend grassenzaad vormt vrijwel het hele voedsel; daarnaast worden kleine bessen en insecten gegeten, vooral in de broedtijd. Het overdekte, bolvormige nest staat laag in een graspol of in een lage struik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel over het hele areaal. Binnen dit gidsgebied broedt hij van Midden-Mexico op beide hellingen zuidwaarts — met de noordgrens rond San Luis Potosí en zuidelijk Tamaulipas op de Atlantische kant en rond Nayarit en Jalisco op de Pacifische kant — door Belize, Guatemala, El Salvador, Honduras en Nicaragua; verder naar het zuiden loopt het areaal buiten dit gidsgebied door tot in Ecuador en Venezuela. Op de Grote Antillen zit hij op Cuba, Jamaica, Hispaniola en de Caymaneilanden. Op Oʻahu is hij ingevoerd en gevestigd. In Zuid-Texas en Florida zijn enkele waarnemingen gedaan.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in de vroege ochtend langs een grazige wegberm of een hek langs een weiland en luister naar de ijle triller; die verraadt de vogel eerder dan het oog. Alleen wanneer een zingend mannetje op een grasstengel klimt, is het gele keelpatroon tegen het zwart volledig zichtbaar.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en is over een groot deel van het areaal algemeen. De aantallen nemen eerder toe dan af, doordat kap en beweiding het grazige, halfopen terrein opleveren waar de soort in thuishoort; het areaal is in de twintigste eeuw daardoor plaatselijk noordwaarts opgeschoven. De ingevoerde populatie op Oʻahu is beperkt van omvang.

Wetenschappelijke naam

Tiaris olivaceus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Emberiza olivacea, naar een exemplaar van Hispaniola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tiaris werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse tiaras 'hoofddeksel, tiara', naar het kopatroon. De soortnaam olivaceus is Neolatijn voor 'olijfgroen'. De Nederlandse naam verwijst naar Cuba, waar de soort algemeen is; de Engelse naam naar het gele gezichtspatroon en het zaadeten in graslanden; de Spaanse naam combineert 'zaadeter' met de Cubaanse volksnaam tomeguín.