Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Grijze Mees

Grijze Mees | Baeolophus inornatus

Oak Titmouse | Carbonero sencillo

De grijze mees is een effen grijsbruine mees met een korte spitse kuif en een gezicht zonder enige tekening. Hij is gebonden aan de eikenbossen van de Pacifische helling, van Zuidwest-Oregon tot Neder-Californië, en houdt daar het hele jaar hetzelfde territorium bezet.

Grijze Mees (Baeolophus inornatus)
Foto: Wookiemedia — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit een reeks herhaalde frasen van twee of drie noten, waarbij de laatste noot lager ligt dan de vorige; het patroon wisselt dus hoorbaar van toonhoogte. Het mannetje zingt vooral in het vroege voorjaar vanaf een open tak. De contactroep is een raspend tsjik-a-dee, droger en schraler dan de zang. Het paar roept het hele jaar door, ook midden in de winter, en verraadt zich daarmee vaak eerder dan het te zien is.

Luister: ZangXC999244

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Hogan Reservoir, Calaveras County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Een kleine mees van 13 tot 14 cm, van boven grijsbruin en van onderen iets lichter, soms met een vage okerkleurige waas op de flanken. De kop draagt een korte, spitse kuif die wordt opgezet en neergelegd. Het gezicht is effen: geen oogstreep, geen wangvlek, geen tekening op vleugel of staart. Daardoor valt het grote zwarte oog sterk op. De snavel is kort en stevig, de staart middellang. Mannetje en vrouwtje zijn niet aan het verenkleed te onderscheiden.

Verwarrings­soorten

Ridgways mees is de enige echte verwarringssoort. Die is zuiverder grijs, zonder de bruine inslag op mantel en flanken, gemiddeld iets groter en langer van staart. Belangrijker zijn habitat en areaal: de grijze mees zit in eikenbos aan de westkant van de Sierra Nevada, Ridgways mees in pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbesbos daarachter, en beide arealen raken elkaar alleen langs de oostelijke Sierra-rand en de rand van de Mojave. Ook het geluid scheidt ze: de zang van de grijze mees wisselt tussen hoge en lage noten, die van Ridgways mees is een snelle, droge triller op één toonhoogte. De tweekleurige mees komt niet in het westen voor en heeft roestkleurige flanken en een zwarte voorhoofdvlek. De struikmees (bushtit) is kleiner, mist de kuif en heeft een lange staart; de grijze vireo heeft geen kuif, een fijne haaksnavel en een vleugelstreep.

Leefgebied

Warme, droge en open eikenbossen en eiken-dennenbossen op lage tot middelhoge hellingen. Coast live oak (wintergroene Californische kusteik) en valley oak leveren zowel de eikels als de natuurlijke holtes waarin hij broedt; hij gebruikt liever een gave holte dan een oude spechtenholte. Ook in tuinen, parken en boomgaarden met oude eiken, en plaatselijk in jeneverbes en dennenbos zonder eik. Het foerageren gebeurt meestal onder tien meter hoogte, gelezen van bast en blad.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van de Pacifische helling: van Zuidwest-Oregon zuidwaarts door Californië ten westen van de Sierra Nevada tot in Neder-Californië. Het centrale San Joaquin-dal blijft leeg, omdat daar het eikenbos ontbreekt. Er is geen trek; jonge vogels verplaatsen zich over korte afstand en het paar blijft levenslang samen in hetzelfde gebied. Van de wereldpopulatie zit ongeveer elf procent in Mexico.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Werk op geluid. In eikenbos in maart en april roept en zingt hij vrijwel onophoudelijk, en het paar reageert op nagebootste roepjes. Kijk bij een onzekere waarneming eerst naar het gezicht: een volkomen effen kop met een groot zwart oog en een korte kuif is in Californisch eikenbos vrijwel altijd deze soort.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 500.000 vogels, waarvan 89 procent in de Verenigde Staten en elf procent in Mexico; de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) is 14 van 20. De soort stond op de aandachtslijst van de State of the Birds (het tweejaarlijkse Noord-Amerikaanse statusrapport) van 2014, na een cumulatieve afname van 57 procent sinds 1966. De achteruitgang loopt gelijk op met het verlies en de versnippering van Californisch eikenbos door woningbouw, landbouw en veranderde brandregimes; verjonging van eik blijft in veel begraasde percelen uit, zodat er op termijn geen holtebomen bijkomen.

Wetenschappelijke naam

Baeolophus inornatus | (Gambel, 1845)

Gambel beschreef de soort in 1845 als Parus inornatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Baeolophus komt van het Griekse baios 'klein' en lophos 'kuif'. De soortnaam inornatus is Latijn voor 'onversierd', naar het tekeningloze verenkleed. Het beschreven exemplaar kwam uit Opper-Californië, bij Monterey. Tot 1996 vormde deze vogel samen met Ridgways mees één soort, de plain titmouse; de splitsing berust op verschillen in zang, leefgebied en genetisch materiaal.