Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Grace' zanger
Grace' zanger | Setophaga graciae
Grace's Warbler | Reinita de Grace
Grace' zanger is de zanger van het oude dennenbos van de bergen in het zuidwesten van Noord-Amerika. Hij is grijs van boven en geel op keel en borst, en blijft vrijwel de hele dag hoog in de kroon, tussen de naaldbundels van ponderosadennen. De soort is in 1864 ontdekt in Arizona en genoemd naar de zus van de ontdekker.
Geluid
De zang is een reeks van heldere, licht gezoemde notities die aan het eind versnellen en in een korte triller uitlopen, ongeveer tsjie-tsjie-tsjie-tsjietsjietsjie. De toonhoogte gaat daarbij meestal iets omhoog. Er bestaat een tweede, tragere en lagere variant. De roep is een scherpe, wat metalige tsjip; het vluchtgeluid is een dun hoog siet. Doordat de vogel hoog zit, is de zang vaak het eerste en lange tijd het enige teken van zijn aanwezigheid.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Las Nubes, San Mateo Río Hondo, Oaxaca, Mexico · xeno-canto
Herkenning
De bovendelen zijn grijs met zwarte streepjes over rug en flanken; keel en bovenborst zijn geel, de rest van de onderdelen is wit. De gele wenkbrauwstreep loopt van de snavel tot boven het oog en gaat daarachter in wit over; daaronder zit een geel randje langs de onderste ooglidrand. Twee witte vleugelstrepen zijn duidelijk. De snavel is kort en fijn. Vrouwtjes zijn valer met minder zwart in de streping. Het foerageren is rusteloos en hoog, waarbij hij naaldbundels van buitenaf afzoekt in plaats van in de bast te prikken.
Verwarringssoorten
De geelkeelzanger heeft dezelfde grijze rug en gele keel, maar een langere snavel, een witte vlek opzij in de nek en zwart op de kopzijde, en hij zoekt wél in bastspleten. Townsends zanger en de heremietzanger hebben geel of zwart op de wang en geen geel dat tot een keelbef beperkt blijft. De geelstuitzanger heeft een gele stuit en gele flankvlekken in plaats van een gele keel. Leefgebied helpt: in volgroeid ponderosa-dennenbos in de bergen is Grace' zanger doorgaans de enige grijs-met-gele zanger in de kroon.
Leefgebied
Volgroeid, open dennenbos van de bergen, vooral van ponderosadennen, met daarnaast Chihuahua- en Apachedennen en dennen-eikenbos. In Noord-Arizona geeft hij de voorkeur aan bos met Gambels eik in de ondergroei; aan de noordgrens van het areaal zit hij ook in sparren-zilverspar. In de Verenigde Staten en Noord-Mexico ligt hij tussen ruwweg 1800 en 2700 meter; verder zuidelijk komt hij tot veel lager. Jong, dicht aanplantbos gebruikt hij nauwelijks.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied in de Verenigde Staten beslaat Zuid-Nevada, Zuid-Utah, Zuidwest-Colorado, Arizona, New Mexico en West-Texas. Vanaf de grens loopt het areaal zuidwaarts door de Sierra Madre Occidental en Oriental en de bergen van Zuid-Mexico en Midden-Amerika tot Nicaragua. De vogels uit de Verenigde Staten trekken in september weg en overwinteren in West-Mexico, van Noordoost-Sinaloa en Noordwest-Durango zuidwaarts; de Mexicaanse en Midden-Amerikaanse populaties blijven het hele jaar in hetzelfde bos.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in mei of juni naar volgroeid ponderosa-dennenbos in de bergen van Arizona of New Mexico en luister naar de versnellende zang; de vogel blijft hoog, dus zoek hem tegen de hemel aan de buitenkant van de kroon. Een helling waar je op ooghoogte in de kruinen kunt kijken, bespaart nekpijn en geeft de beste kans op de gele keel.
Staat van instandhouding
De soort geldt wereldwijd als niet bedreigd (LC), maar de aantallen lopen terug en ze staat op de gele lijst van kantelpuntsoorten. De oorzaak is het verdwijnen van volgroeid, open dennenbos: een eeuw van houtkap, brandonderdrukking en verdichting heeft het bostype sterk teruggedrongen. Beheer met periodiek gecontroleerd branden en het sparen van grote, oude bomen levert het bostype op waarin de soort broedt.
Wetenschappelijke naam
Setophaga graciae | (Baird, 1865)
Baird beschreef de soort in 1865 als Dendroica graciae; omdat ze later naar Setophaga is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse sēs 'mot' en -phagos 'etend'. De soortnaam graciae verwijst naar Grace Darling Coues, de zus van ontdekker Elliott Coues, die Baird op zijn verzoek in de naam heeft vastgelegd. Het beschreven exemplaar kwam uit Fort Whipple bij Prescott in Arizona.



