Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Goudkruingors

Goudkruingors | Zonotrichia atricapilla

Golden-crowned Sparrow | Chingolo coronidorado

De goudkruingors is de grootste gors van de Amerikaanse westkust en de enige met een gele scheiding over het midden van de kruin. Hij broedt in het struweel van de toendra en de boomgrens in Alaska en Noordwest-Canada, en brengt de rest van het jaar door in het struikgewas, de bermen en de tuinen van de kuststrook tussen Brits-Columbia en Neder-Californië.

Goudkruingors (Zonotrichia atricapilla)
Foto: VJAnderson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit drie heldere, langgerekte fluittonen die stap voor stap in toonhoogte zakken, vaak in Engelse veldgidsen weergegeven als oh-dear-me. Goudzoekers in de Yukon legden er andere woorden onder — 'no gold here' en 'I'm so weary', waaraan de bijnaam Weary Willie is ontleend. De roep is een scherp, vlak tsjieuw. Anders dan bij de meeste gorzen wordt de zang ook midden in de winter en op de trek gehoord, meestal uit het midden van een dichte struik.

Luister: ZangXC1173335

Opname: Anne McCormack — CC BY-NC-SA 4.0 · Nome Census Area, Alaska, United States · xeno-canto

Herkenning

Een forse, langgestaarte gors met grijsbruine, zwartbruin gestreepte bovendelen, twee smalle witte vleugelstrepen en grauwgrijze, ongestreepte onderdelen. In broedkleed loopt over het midden van de kruin een brede gele baan, die naar achteren in grijs overgaat en aan weerszijden door een brede zwarte band wordt begrensd. De snavel is tweekleurig: donkere bovensnavel, bleke ondersnavel. In winterkleed en bij jonge vogels krimpt het geel tot een vage goudkleurige waas op het voorhoofd en vervagen de zwarte banden tot bruin.

Verwarrings­soorten

De witkruingors is de vaste verwarringssoort: die heeft een zuiver witte middenkruinstreep tussen scherp afgetekende zwarte banden, een effen roze of oranjegele snavel en een grijzer, netter ogend gezicht. Bij jonge vogels valt dat onderscheid grotendeels weg; let dan op de vuilbruine, weinig contrastrijke kopstrepen en het goudkleurige waas op het voorhoofd van de goudkruingors, en op de donkere bovensnavel. De goudkruingors oogt bovendien groter, zwaarder en donkerder van onderen. De witkeelgors heeft een scherp afgetekende witte keelvlek en een gele vlek vóór het oog en overlapt in de winter nauwelijks in areaal.

Leefgebied

Broedt in laag struweel op de overgang van bos naar toendra: wilg, els, dwergberk en verspreide sparren langs beken, in bergpassen en op vochtige hellingen tot boven de boomgrens. Het nest staat meestal op de grond, verscholen onder een struik. In de winter zit hij in dicht struweel, chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat), verruigde akkerranden, houtwallen en stadstuinen ten westen van de grote bergketens, vaak bij voedertafels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Noord- en West-Alaska, met inbegrip van de Aleoeten tot Unimak, door de Yukon en de bergen van Brits-Columbia tot Noordwest-Washington. Het overwinteringsgebied ligt vrijwel geheel in de kuststrook: van Zuid-Alaska en Brits-Columbia via Washington, Oregon en Californië tot Noord-Neder-Californië, plus de woestijnranden van Nevada en Arizona. Hij arriveert vroeg in september en vertrekt laat in april of mei, waardoor hij langer op de Californische winterplaats blijft dan bijna elke andere trekvogel daar. Buiten het westen is hij een zeldzame dwaalgast, met meldingen tot in Nova Scotia en Florida.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem tussen oktober en april in dicht struikgewas langs een pad of onder een voedertafel aan de westkust: hij foerageert op de grond en springt met beide poten tegelijk achteruit om bladeren weg te schrapen. De beste manier om hem tussen witkruingorzen te vinden is op geluid — de drie dalende fluittonen zijn ook in januari te horen.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 7,5 miljoen vogels; de trend is stabiel en de soort geldt als niet bedreigd (LC). Hij hoort tot de minst onderzochte zangvogels van Noord-Amerika, omdat het broedgebied dun bevolkt en moeilijk bereikbaar is. Opwarming van het subarctische struweel en verschuiving van de boomgrens kunnen het broedgebied veranderen, maar de omvang van dat effect is niet gemeten. Eén geringde vogel werd ouder dan tien jaar.

Wetenschappelijke naam

Zonotrichia atricapilla | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Emberiza atricapilla; omdat ze later naar Zonotrichia verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie werd door Stresemann in 1949 vastgelegd op Prince William Sound in Alaska; Gmelins oorspronkelijke opgave noemde ook de Sandwicheilanden, waar de soort niet voorkomt. Zonotrichia is Grieks, van zōnē 'band' en thrix 'haar', naar de banden over de kruin. Atricapilla is Latijn voor 'zwartharig', naar de zwarte begrenzing van de gele kruinbaan.