Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Glanstroepiaal
Glanstroepiaal | Quiscalus quiscula
Common Grackle | Zanate común
De glanstroepiaal is de zwarte, langstaartige troepiaal van gazons, parkeerterreinen en maïsakkers in het oosten van Noord-Amerika. Hij loopt met opgeheven kop over kort gras, broedt in kolonies in coniferen en verzamelt zich buiten de broedtijd in slaapplaatsen die uit honderdduizenden vogels kunnen bestaan.
Geluid
De zang is een kort, knarsend ogla-tsjiek, vaak vergeleken met een roestig hek dat opengaat, en gaat gepaard met een houding waarbij de vogel zich uitrekt en de veren opzet. De gewone roep is een hard, laag tsjek. In een slaapplaats loopt het geluid van duizenden vogels ineen tot een aanhoudend geratel. Hij neemt geluiden van andere soorten over, maar minder nauwkeurig dan de spotlijster.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · La Haute-Yamaska (near Granby), Estrie, Québec, Canada · xeno-canto
Herkenning
Groter en langer dan een merel, met een lange, zware snavel, lange poten en een bleekgele iris. Van dichtbij is het verenkleed niet zwart maar metaalachtig: kop en hals glanzen paars of blauwgroen, het lijf bronskleurig of paars, met dunne donkere dwarsbandjes. De staart is lang en wigvormig en wordt in de vlucht in de lengte tot een ondiepe goot geplooid — een kenmerk dat op afstand goed werkt. Het vrouwtje is kleiner en doffer, jonge vogels zijn effen bruin met een donkere iris.
Verwarringssoorten
De bootstaarttroepiaal en de langstaarttroepiaal zijn duidelijk groter en hebben een veel langere staart; hun arealen overlappen alleen aan de Golfkust en in Texas, waar het formaat en de afwezigheid van bronsglans doorslaggevend zijn. De Brewers troepiaal en de zwarte troepiaal zijn kleiner, met een dunnere snavel en een kortere, rechte staart. De bruinkopkoevogel is veel kleiner en heeft een korte kegelsnavel. Bij vrouwtjes en jonge vogels zijn de verschillen het kleinst; de gootvormige staart en de lange snavel blijven dan de beste kenmerken.
Leefgebied
Open en halfopen land met verspreide bomen: gazons, parken, begraafplaatsen, wegbermen, boerenerven, akkers met maïs en granen, rietkragen en oevers. Voor het nest zoekt hij dichte naaldbomen, struiken bij water of kunstwerken zoals bruggen en lichtmasten. Gesloten bos mijdt hij; hij profiteert van menselijke bewerking van het landschap en foerageert op stoepen, parkeerplaatsen en akkers na de oogst.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt in heel Noord-Amerika ten oosten van de Rocky Mountains, van Noordoost-Brits-Columbia en de Canadese prairie tot Newfoundland en zuidwaarts tot de Golfkust en Florida. Populaties in Canada en de noordelijke staten trekken in het najaar naar het zuidoosten; van Kansas en Ohio zuidwaarts is de soort standvogel. Het areaal breidde zich in de twintigste eeuw westwaarts uit met de aanleg van boerderijbeplanting op de prairie.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Let in de vlucht op de staart: als hij die in de lengte tot een ondiepe goot plooit, is het deze soort en niet een van de kleinere troepialen. Op een gazon laat hij zich tot op enkele meters benaderen; kies dan een standplaats met de zon in de rug, want de paarse en bronzen glans is alleen bij invallend licht te zien.
Staat van instandhouding
De soort is talrijk, maar de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat sinds 1966 een gestage afname zien; een analyse uit 2011 kwam op een teruggang van ongeveer 61 procent ten opzichte van een historisch maximum van meer dan 190 miljoen vogels, tot circa 73 miljoen. De IUCN plaatst hem daarom in de categorie gevoelig (NT). Omdat hij op maïs- en rijstakkers schade veroorzaakt, valt hij in de Verenigde Staten onder een uitzondering op de Migratory Bird Treaty Act (het Amerikaans-Canadese trekvogelverdrag van 1918) die bestrijding van slaapplaatsen toestaat; de omvang van het effect daarvan op de landelijke trend is niet vastgesteld.
Wetenschappelijke naam
Quiscalus quiscula | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Gracula quiscula, in het geslacht van de Aziatische beo; omdat ze later is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Quiscalus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot; de herkomst van de naam is onzeker en wordt meestal afgeleid van het Latijnse quisquiliae 'afval'. De soortnaam is een verkleiningsvorm van dezelfde stam. De Nederlandse naam wijst op de metaalglans van het verenkleed.






