Alle soorten › Futen › Futen › Geoorde fuut

Geoorde fuut | Podiceps nigricollis

Eared Grebe | Zampullín cuellinegro

De geoorde fuut is de talrijkste fuut ter wereld en in Noord-Amerika de vogel van de ondiepe, zoutige meren van het westen. In de nazomer verzamelt vrijwel de hele Noord-Amerikaanse populatie zich op een handvol zoutmeren, waar de vogels zich zo vol eten met pekelkreeftjes dat hun vliegspieren verschrompelen en ze maandenlang niet kunnen vliegen. Pas als het voedsel opraakt bouwen ze die spieren weer op en vertrekken ze in één nachtvlucht naar het zuiden.

Geoorde fuut (Podiceps nigricollis)
Foto: ADJ82 — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie klinkt voortdurend een hoog, stijgend poe-iek met een korte klik erachteraan, een geluid dat eerder aan een kikker doet denken dan aan een vogel. Daarnaast laten partners bij het nest een snel, ratelend getjilp horen waarmee ze elkaar begroeten. Baltsende vogels roepen een langgerekt, klagend gefluit dat over het hele water te horen is. Buiten de broedtijd is hij vrijwel stil: op de zoutmeren waar tienduizenden bij elkaar drijven hoor je hooguit een zacht gemompel.

Luister: ZangXC1084603

Opname: Julien Piette — CC BY-NC-SA 4.0 · Arrondissement de Dunkerque (near Gravelines), Nord, Hauts-de-France, France · xeno-canto

Herkenning

In broedkleed zijn kop, hals en rug zwart en de flanken kastanjebruin, en waaiert achter het rode oog een bundel goudgele veren uit over de oorstreek. De kruin loopt spits toe, de snavel is dun en iets naar boven gebogen, en het achterlijf vormt een hoog, donzig kussen. In winterkleed is de vogel grijs met een witte keel; de donkere wang gaat zonder scherpe grens over in de donkere kruin, en over de hals ligt een vuilgrijze waas. Man en vrouw zijn niet uit elkaar te houden; jonge vogels lijken op het winterkleed maar zijn bruiner, met een lichtere wang. In vlucht — en vliegen doet hij zelden — valt een witte vleugelstreep op en hangen de poten achter de staart uit.

Verwarrings­soorten

De kuifduiker (Podiceps auritus) lijkt in winterkleed het meest op deze soort: die heeft een vlakke kruin, een rechte snavel met een lichte punt, een scherp begrensde witte wang en een witte voorhals, terwijl de geoorde fuut een spitse kruin, een opgewipte snavel en een vage grijze overgang heeft. In broedkleed loopt bij de kuifduiker een brede gouden streep van de snavel naar het achterhoofd en is de hals roodbruin; bij de geoorde fuut is de hals zwart en staat het goud als een losse waaier over het oor. De dikbekfuut is bruin in plaats van grijs en heeft een dikke, stompe snavel. Ligt er een groepje op het water, let dan op de houding: de geoorde fuut drijft hoger, met het achterlijf duidelijk boven de waterlijn.

Leefgebied

Hij broedt in kolonies op ondiepe, voedselrijke meren en moerassen met riet, zegge of biezen, waar het nest op een drijvende hoop plantenresten wordt gebouwd; brak en alkalisch water gaat boven helder zoet water. Meren zonder vis zijn vaak de beste, omdat de ongewervelden waar hij van leeft zich daar in grote dichtheden ophopen. Buiten de broedtijd zit hij op grote zoutmeren, stuwmeren, ondiepe kustbaaien en lagunes. Snelstromend water, gesloten bos en diepe, koude bergmeren gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

In Noord-Amerika broedt hij van de prairies van Alberta, Saskatchewan en Manitoba zuidwaarts tot Californië, Nevada en New Mexico, vrijwel geheel ten westen van de Mississippi; daarbuiten komt de soort ook in Europa, Azië en zuidelijk Afrika voor. In de nazomer trekt het overgrote deel naar Mono Lake in Californië en het Great Salt Lake in Utah, waar honderdduizenden tot enkele miljoenen vogels wekenlang blijven ruien en vetmesten. Daarna volgt de trek in één of enkele nachtvluchten naar de Salton Sea, de Golf van Californië en de kustwateren van de Grote Oceaan; kleinere aantallen overwinteren aan de Golfkust van Texas en Louisiana. De broedplaatsen wisselen van jaar tot jaar met de waterstand: een prairiepoel die één zomer vol zit, kan de volgende droogvallen en leeg blijven.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in oktober en november op een groot zout- of stuwmeer in het westen naar donkere stippen die in dichte drijvende vlekken bij elkaar liggen en telkens tegelijk onderduiken. Zie je één vogel, let dan op het silhouet van kop en achterlijf: de spitse kruin en het hoge, pluizige achterlijf verraden hem ook als de kleuren in tegenlicht wegvallen. Kom je in de winter langs de Salton Sea of de baaien van Californië, dan zitten ze vlak onder de kust, meestal buiten de branding.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie loopt in de miljoenen en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Dat vrijwel alle Noord-Amerikaanse vogels in het najaar op twee of drie zoutmeren tegelijk zitten, maakt de populatie wel kwetsbaar: dalende waterstanden en een stijgend zoutgehalte in het Great Salt Lake bedreigen de pekelkreeftjes waar de trek van afhangt. Op de Salton Sea en het Great Salt Lake zijn herhaaldelijk sterftegolven van tienduizenden vogels vastgesteld, door botulisme en vogelcholera.

Wetenschappelijke naam

Podiceps nigricollis | Brehm, 1831

Christian Ludwig Brehm beschreef de soort in 1831 als Podiceps nigricollis; ze staat nog altijd in dat geslacht, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Podiceps komt van het Latijn podex ('achterste') en pes ('voet'), naar de ver naar achteren geplaatste poten die alle futen kenmerken. nigricollis betekent 'zwarthalzig', naar het broedkleed. De typelocatie is Duitsland. De internationale Engelse naam is Black-necked Grebe, die op de zwarte hals slaat; in Noord-Amerika heet hij Eared Grebe, naar de gele oorveren.