Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Gele zanger
Gele zanger | Setophaga aestiva
Northern Yellow (Yellow) Warbler | Reinita amarilla
De gele zanger is de meest gelijkmatig gele van alle Amerikaanse zangers: geen kap, geen masker, geen vleugelstrepen, alleen geel, bij het mannetje met roodbruine lengtestreepjes op borst en flanken. Hij broedt van de wilgenstruwelen van Alaska tot de rivierbossen van Noord-Mexico en heeft daarmee een van de grootste broedarealen van de hele familie.
Geluid
De zang is een heldere, snelle reeks van zeven tot tien fluittonen met een omhooglopend slot, in het Engels weergegeven als sweet sweet sweet I'm so sweet. Een mannetje heeft meestal twee typen: een vaste versie die hij naar het vrouwtje zingt en een variabele versie voor rivalen aan de territoriumgrens. De roep is een scherp, vol tsjip; de vluchtroep in de nacht is een dun, iets zoemend zieet. Vrouwtjes roepen vaak kort nadat het mannetje is uitgezongen.
Opname: Ray Cooke — CC BY-NC 4.0 · Whitlock's Pond, Observation Tower, Albion Cross, Prince Edward Island, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een klein, kortstaartig zangertje dat van kop tot stuit geel is, met olijfgroene glans over rug en kruin. Het mannetje heeft in broedkleed scherpe kastanjebruine streepjes over de gele borst; bij het vrouwtje zijn die vaag of afwezig. Het oog is groot, donker en ligt in een effen gezicht zonder oogstreep, wat de vogel een open uitdrukking geeft. Doorslaggevend zijn de staartvlekken: die zijn geel, terwijl vrijwel alle verwante zangers witte staartvlekken hebben. Ook de snavelbasis en de pootkleur zijn licht.
Verwarringssoorten
De mangrovezanger heeft bij het mannetje een volledig roodbruine kop of kruin en zit alleen in mangrove. Wilsons zanger heeft een zwart petje en een langere, vaak opgewipte staart met witte buitenranden. De groene zanger is doffer olijfgeel, heeft een dunne donkere oogstreep en fijne diffuse streping op de borst, en mist de gele staartvlekken. Bij herfstvogels en jongen zijn de verschillen het kleinst: zoek dan naar de geheel gele ondervleugel, de gele staartvlekken en de effen kop.
Leefgebied
Vochtig struweel met wilg, els, es en meidoorn langs beken, rivieren en moerasranden; ook verruigde weilanden, houtwallen, boomgaarden en tuinen met dichte struiklaag. Hij mijdt gesloten hoog bos en droge open vlakten. In het westen hangt het broeden vrijwel geheel aan de smalle wilgengordel langs waterlopen. In de winter zit hij in mangrove, tuinen, koffieplantages en secundair loofbos in de laaglanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van West- en Midden-Alaska en het Yukongebied oostwaarts door heel Canada tot Newfoundland, en zuidwaarts door vrijwel de hele Verenigde Staten; alleen de Golfkust en Florida blijven als broedgebied leeg. De trek loopt in augustus en september breed over het oosten en midden van het continent, deels in één sprong over de Golf van Mexico. Overwintert van Noordwest-Mexico en de Caraïbische kust van Midden-Amerika door tot in het Amazonebekken en Bolivia; binnen dit gidsgebied gaat het om de laaglanden van West- en Zuid-Mexico, Guatemala, Belize, Honduras, El Salvador en Nicaragua.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans is in mei in een wilgenstruweel langs water: de mannetjes zingen dan vanaf een open takje boven in de struik en herhalen hun strofe elke tien tot vijftien seconden. Zie je alleen de onderkant tegen de lucht, let dan op de gele staartvlekken — dat kenmerk werkt ook op een vogel die zwijgt en tegen het licht zit.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schatte de wereldpopulatie vóór de splitsing met de mangrovezanger op ongeveer 97 miljoen vogels, met een score van 8 op 20 op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat sinds 1966 een afname van ongeveer 0,4 procent per jaar zien, samen ruwweg twintig procent. Het verdwijnen van oeverstruweel door begrazing, kanalisatie en waterwinning is in het westen de zwaarste druk. Ongeveer veertig procent van de nesten wordt door de bruinkopkoevogel belegd; de gele zanger herkent een vreemd ei en bouwt dan een nieuwe nestbodem over het oude legsel heen, soms tot zes lagen hoog.
Wetenschappelijke naam
Setophaga aestiva | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla aestiva; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, uit het Griekse sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend'. De soortnaam aestiva is Latijn voor 'van de zomer', naar het verblijf in het noorden. De typelocatie werd oorspronkelijk als Guiana opgegeven en is later vastgelegd op de stad Quebec. Tot voor kort gold de soort als één geheel met de mangrovezanger; verschillen in mitochondriaal DNA, kleed en zang leidden tot de splitsing.





