Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Geelwangzanger
Geelwangzanger | Setophaga chrysoparia
Golden-cheeked Warbler | Reinita caridorada
De geelwangzanger is de enige vogelsoort die uitsluitend in Texas broedt: de jeneverbes-eikenbossen van het Edwards Plateau in Midden-Texas. Hij broedt er van maart tot juli en overwintert in de bergbossen van Zuid-Mexico en Midden-Amerika. Sinds 1990 staat hij op de federale lijst van bedreigde soorten.
Geluid
De zang is een korte, zoemende reeks van vier of vijf lettergrepen, meestal weergegeven als tsjie-tsjie-tsjoe-wie, waarbij de laatste noot omhoog of omlaag knikt. Twee zangtypen zijn te onderscheiden: het ene gebruikt het mannetje aan de rand van zijn territorium tegenover buren, het andere dieper in het territorium bij het vrouwtje. De roep is een korte, scherpe tsjip, dezelfde noot die beide geslachten gebruiken bij onraad. Zingen gebeurt vooral in het eerste uur na zonsopgang, vanaf een tak halverwege de kroon.
Opname: Nathan Wahler — CC BY-NC-SA 4.0 · Madla Park, Grey Forest, Bexar County, Texas, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een geel gezicht met een zwarte streep dwars door het oog, een zwarte keel en borst, en een egaal zwarte rug. De onderdelen zijn wit met zwarte streepjes op de flanken; de grijze vleugel draagt twee witte banden en de buitenste staartpennen zijn grotendeels wit. Het vrouwtje heeft hetzelfde patroon in gedempte vorm: de rug is grijsgroen met vage streping en de keel is bleek met hooguit enkele zwarte veertjes. De zwarte oogstreep op het gele gezicht is bij beide geslachten aanwezig.
Verwarringssoorten
Vier soorten delen het zwart-geel-witte patroon. De gele zwartkeelzanger heeft een olijfgroene rug in plaats van een zwarte, een geel waas op het gezicht zonder scherpe zwarte oogstreep, en geel op de anaalstreek. De heremietzanger heeft een geheel geel gezicht zonder oogstreep en een grijze rug. Townsends zanger heeft een zwarte wangvlek die het gele gezicht in tweeën deelt. Het broedgebied helpt: in de heuvels van Midden-Texas komt van deze vier alleen de geelwangzanger als broedvogel voor.
Leefgebied
Oude, gesloten opstanden van ashejeneverbes op kalksteenhellingen en in canyonkoppen, gemengd met steeneik, Texaanse eik en esdoorn, tussen ruwweg 180 en 520 meter. Het nest wordt gebouwd van de fijne bastrepen van jeneverbessen van minstens twintig jaar oud; jonge aanplant levert dat materiaal niet. In de winter zit hij in dennen-eikenbos en nevelwoud tussen 1500 en 3000 meter, meestal in gemengde troepen met andere zangers en mezen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied beslaat drieëndertig county's in Midden-Texas, van Palo Pinto County zuidwestwaarts langs de oostelijke en zuidelijke rand van het Edwards Plateau tot Kinney County. De vogels komen in de eerste helft van maart aan en vertrekken al in juli. De trek loopt langs de Sierra Madre Oriental naar het zuiden. Het overwinteringsgebied ligt in Zuid-Mexico, Guatemala, Honduras en Noord-Nicaragua; de vogels zitten er veel dunner verspreid dan in het broedgebied.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Eind maart en april is de beste periode, wanneer de mannetjes de hele ochtend zingen en het blad van de eiken nog niet volledig uit is. Balcones Canyonlands National Wildlife Refuge, Lost Maples State Natural Area en Pedernales Falls State Park hebben aangewezen paden. Ga bij zonsopgang naar een canyonkop en wacht op de zoemende zang; na half juni is de kans sterk kleiner omdat de zang dan grotendeels stopt.
Staat van instandhouding
De soort is sinds mei 1990 federaal beschermd als bedreigd (endangered) en staat bij de IUCN als bedreigd (EN). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 110.000 vogels. De belangrijkste druk is verlies van het oude jeneverbes-eikenbos door stadsuitbreiding rond Austin en San Antonio, door omzetting naar weiland en door versnippering; op de overwinteringsgronden gaat bos verloren aan houtkap en landbouw. Broedparasitisme door de bruinkopkoevogel drukt het broedsucces in versnipperd bos. In het State of the Birds-rapport van 2025 (het tweejaarlijkse Noord-Amerikaanse statusrapport) staat de soort als kantelpuntsoort met rode waarschuwing.
Wetenschappelijke naam
Setophaga chrysoparia | (Sclater; Salvin, 1860)
Philip Lutley Sclater en Osbert Salvin beschreven de soort in 1860 als Dendroeca chrysoparia; omdat ze later naar het geslacht Setophaga is verplaatst, staan auteurs en jaartal tussen haakjes. De soortnaam komt van het Griekse khrusos 'goud' en pareia 'wang' — 'met de gouden wang'. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, uit Grieks sēs 'mot' en -phagos 'etend'. Het beschreven exemplaar kwam uit Verapaz in Guatemala, dus uit het overwinteringsgebied en niet uit het broedgebied.




