Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Geelsnavelkardinaal
Geelsnavelkardinaal | Paroaria capitata
Yellow-billed Cardinal | Cardenilla piquigualda
De geelsnavelkardinaal is een Zuid-Amerikaanse zaadeter met een rode kop, een zwarte keelvlek, witte onderdelen en een oranjegele snavel. Hij hoort van nature bij de moerasranden van de Pantanal en het stroomgebied van de Paraná; binnen dit gidsgebied komt hij alleen voor als ingevoerde vogel op Hawaï, waar hij vooral langs de kust van het eiland Hawaï leeft.
Geluid
Het stemgeluid is eenvoudig: een hard, kort tsjik of tsjep, vaak in reeksen en tussen leden van een groepje heen en weer gegeven, en een fluitende zang van twee of drie heldere tonen die met korte tussenpozen wordt herhaald. Paren roepen elkaar aan vanaf gazon en struik. Het geluid is minder luid en minder gevarieerd dan dat van de roodkuifkardinaal, waarmee hij op Hawaï vaak in hetzelfde park zit.
Opname: Luciano Buck — CC BY-NC-SA 4.0 · Colonia Carlos Pellegrini, San Martín Department, Corrientes Province, Argentina · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen vogel van ongeveer zestien centimeter, zonder kuif. De kop is rood, de kin en keel zijn zwart en daaronder loopt een witte halsband door in witte onderdelen; rug, vleugels en staart zijn middengrijs. Snavel en poten zijn oranjegeel, en juist die snavelkleur is op afstand het opvallendste kenmerk. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk gekleurd. De jonge vogel heeft een bruinoranje kop en bruinere bovendelen en krijgt het rood pas in de loop van het eerste jaar.
Verwarringssoorten
De roodkuifkardinaal, op Hawaï eveneens ingevoerd, heeft een puntige rode kuif, een bleke hoornkleurige snavel en een rode punt die tot op de borst doorloopt, en mist de zwarte keelvlek. De rode kardinaal, ook op de eilanden ingevoerd, is geheel rood met een kuif en een zware rode snavel. De jonge geelsnavelkardinaal met zijn bruine kop lijkt het meest op andere soorten; de oranjegele snavel en de grijs-witte romp wijzen hem dan aan.
Leefgebied
In het oorspronkelijke areaal moerasrand, rivieroever en vochtig struweel. Op Hawaï zit hij in laaggelegen struweel, langs bosranden, op gazons van hotels en resorts, bij visvijvers en in dorpen en havens, vrijwel altijd dicht bij water. Hij foerageert lopend op de grond, meestal in paartjes of kleine groepjes, en eet zaad, kleine vruchten en insecten; gemorst voer en broodkruimels worden opgeraapt. Hij is gebonden aan het kustlaagland en dringt niet door in het bergbos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het natuurlijke areaal ligt buiten dit gidsgebied: Midden- en Oost-Bolivia en Zuidwest-Brazilië tot Noordoost-Argentinië, Paraguay en Noordwest-Uruguay. Binnen dit gidsgebied gaat het uitsluitend om de ingevoerde populatie op Hawaï. Die is gevestigd op het eiland Hawaï, met het zwaartepunt langs de Konakust en verder rond Hilo, en van daaruit plaatselijk uitgebreid; de vogel is er standvogel zonder enige trek. Op de andere eilanden van de archipel gaat het om losse waarnemingen en kleine, nog niet zeker gevestigde groepjes.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
De beste kans is een parkeerterrein, gazon of picknickplek langs de Konakust, vroeg op de dag: de vogels lopen daar open en weg over kort gras. Let eerst op de snavelkleur en op het ontbreken van een kuif; die twee kenmerken scheiden hem meteen van de roodkuifkardinaal die vaak op dezelfde plek loopt.
Staat van instandhouding
De soort staat wereldwijd als niet bedreigd (LC) te boek, met een groot areaal in Zuid-Amerika en stabiele aantallen. Op Hawaï gaat het om een ingevoerde populatie die sinds de vestiging in aantal en verspreiding is toegenomen; ze valt buiten het natuurbeheer dat op de inheemse Hawaïaanse vogels is gericht. De soort blijft in het laaggelegen, sterk door mensen veranderde kustgebied en niet in het bergbos waar de inheemse soorten zitten.
Wetenschappelijke naam
Paroaria capitata | (d'Orbigny; de Lafresnaye, 1837)
D'Orbigny en de Lafresnaye beschreven de soort in 1837 als Tachyphonus capitatus, naar een exemplaar uit Corrientes in Argentinië; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteurs en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Paroaria werd in 1832 ingevoerd door Charles Lucien Bonaparte en gaat terug op tiéguacú paroára, een naam uit het uitgestorven Tupi voor een kleine geel-rood-grijze vogel. De soortnaam capitata komt van het Latijnse caput 'hoofd' en verwijst naar de rode kop.




