Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Dwergmeeuw
Dwergmeeuw | Hydrocoloeus minutus
Little Gull | Gaviota enana
De dwergmeeuw is de kleinste meeuw ter wereld, nauwelijks groter dan een zwarte stern en met dezelfde dansende, tikkende vlucht. Hij hoort in Eurazië thuis; in Noord-Amerika is hij een zeldzame maar vrijwel jaarlijkse gast, vooral op de Grote Meren, en sinds 1962 broedt hij er nu en dan. Het zekerste kenmerk is de onderkant van de vleugel: roetzwart, met een scherpe witte achterrand.
Geluid
Buiten de kolonie is hij meestal zwijgzaam. Bij de broedplaats klinkt een snel herhaald, nasaal kek-kek-kek en een tweelettergrepig eh-kieh eh-kieh, lang achtereen volgehouden. Daartussendoor gedempte tsjik-geluidjes en een luider heink. In Noord-Amerika hoor je hem zelden: de vogels die daar opduiken zijn bijna altijd stille enkelingen tussen kleine kokmeeuwen.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Tolpanniemi, Finland · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, compacte meeuw met een klein rond kopje, een fijn zwart snaveltje en korte poten; de vleugels zijn betrekkelijk breed en aan het eind afgerond, zonder zwarte punt. In zomerkleed een volledig zwarte kap die tot in de nek doorloopt, donkerrode poten en witte onderdelen die soms rozig aanlopen. In winterkleed blijven daarvan een donkere kruinvlek en een zwarte oorvlek over. De volwassen vogel is boven lichtgrijs met een brede witte achterrand, en onder de vleugel roetgrijs tot zwart — die combinatie heeft geen enkele andere meeuw. Eerstejaars vogels missen dat donkere onderdek en dragen in plaats daarvan een zwarte W over de bovenvleugels, een donkere kruin en een zwarte staartband. De vlucht is licht en onregelmatig, meer stern dan meeuw, met veel bidden en oppikken van het wateroppervlak.
Verwarringssoorten
De kleine kokmeeuw (Chroicocephalus philadelphia) is de soort waar hij tussen zit: die is groter, heeft een spitse vleugel met een lichte, doorschijnende voorrand en een witte in plaats van donkere ondervleugel. De zwarte stern (Chlidonias niger) heeft dezelfde maat en hetzelfde vlieggedrag, maar een rechte spitse snavel, een donkere romp in zomerkleed en geen witte achterrand aan de vleugel. Bij eerstejaars vogels lijkt de zwarte W op die van de vorkstaartmeeuw (Xema sabini) en van jonge drieteenmeeuwen; de dwergmeeuw is duidelijk kleiner en heeft een afgeronde, niet gevorkte staart. Kijk bij een volwassen vogel altijd eerst naar de ondervleugel: alleen bij de dwergmeeuw is die donker.
Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar
Leefgebied
Broedt in ondiepe zoetwatermoerassen met riet, zeggen en drijvende planten, vaak tussen of vlak bij kolonies van kokmeeuwen of zwarte sterns; de weinige Noord-Amerikaanse nesten liggen in datzelfde soort moeras aan de Grote Meren en in de laaglanden van de Hudson- en Jamesbaai. Op trek is hij een vogel van grote open wateren: de Grote Meren zelf, riviermondingen en havenbekkens. In de winter zit hij op zee vlak voor de kust, boven ondiepten en in beschutte baaien en estuaria. Dieper water ver uit de kust mijdt hij, en op vuilstorten of in steden is hij vrijwel nooit te vinden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het zwaartepunt van het areaal ligt in Eurazië, van het Oostzeegebied oostwaarts tot de Zee van Ochotsk. In Noord-Amerika is hij pas sinds 1819 bekend en broedt hij sinds 1962 sporadisch: enkele tientallen nesten verspreid over de Grote Meren, het dal van de Sint-Laurens en de laaglanden van de Hudson- en Jamesbaai, zelden lang op dezelfde plek. Het grootste deel van de vogels op de Grote Meren is doortrekker, met pieken in april en mei en van september tot november; in de winter verschuift het beeld naar de Atlantische kust, van Massachusetts tot North Carolina. Of de Amerikaanse broedvogels een eigen populatie vormen dan wel steeds opnieuw uit Europa worden aangevuld, is niet uitgemaakt.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in oktober en november aan de oostkant van een van de Grote Meren, bij een pier of een rivierbekken waar honderden kleine kokmeeuwen boven het water dansen: de dwergmeeuw is kleiner, ronder van vleugel, en verraadt zich zodra hij draait en de donkere ondervleugel laat zien. Een telescoop en geduld leveren hier meer op dan kilometers rijden — het gaat om één vogel in een grote groep.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), met het overgrote deel van de populatie in Rusland en Fennoscandië. De Noord-Amerikaanse broedvogels zijn met enkele tientallen nesten te weinig om van een populatie te spreken, en worden in verschillende staten en provincies als bedreigd aangemerkt. Drooglegging van moerassen en sterk schommelende waterstanden zijn hier de bepalende factoren.
Wetenschappelijke naam
Hydrocoloeus minutus | (Pallas, 1776)
Peter Simon Pallas beschreef de soort in 1776 als Larus minutus; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hydrocoloeus werd in 1829 ingevoerd door Kaup; de naam betekent letterlijk waterkauw, van het Griekse hudor voor water en koloios voor kauw. minutus is Latijn voor klein, en bij deze soort is dat niet overdreven. De typelocatie is de rivieren van Siberië en Rusland, later beperkt tot Berjozovo in het gouvernement Tobolsk.




