Alle soorten › Pelikaanachtigen › Pelikanen › Bruine pelikaan
Bruine pelikaan | Pelecanus occidentalis
Brown Pelican | Pelícano pardo
De bruine pelikaan is de enige pelikaan die zich van hoogte in zee stort: een zwaargebouwde vogel van twee meter breed die zich vlak voor de inslag een kwartslag draait en met een klap door het wateroppervlak gaat. Hij is tegelijk de kleinste van zijn familie en de enige die het hele jaar aan zout water gebonden blijft. In de jaren zestig verdween hij door bestrijdingsmiddelen bijna volledig van de Golfkust en uit Californië, en hij is daarvan zo goed hersteld dat hij in 2009 van de Amerikaanse lijst van bedreigde soorten is gehaald.
Geluid
Een volwassen bruine pelikaan is vrijwel geluidloos: buiten de kolonie hoor je hem niet, hoe dichtbij hij ook langs vaart. Op de broedplaats klinkt een laag, schor gegrom en een klepperend geluid van de snavel, vooral bij begroetingen tussen partners. De jongen zijn allesbehalve stil en bedelen met een hard, hoog gekrijs dat over de hele kolonie te horen is. Van een duikende vogel hoor je verder alleen de klap op het water.
Opname: Isain Contreras Rodríguez — CC BY-NC-SA 4.0 · Topolobampo, Ahome, Sinaloa, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Een grote, donkere zeevogel met een lange snavel en een uitrekbare keelzak, korte poten en een zware, gedrongen bouw. De volwassen vogel is grijsbruin van lijf met een zilverachtige rug; buiten de broedtijd zijn kop en hals wit met een geelachtige kruin, in de broedtijd wordt de achterhals donker kastanjebruin en verschijnt er een felgele vlek onder aan de voorhals. Aan de Grote Oceaan kleurt de keelzak in de broedtijd helderrood, aan de Atlantische kant olijfgroen tot zwart. Jonge vogels zijn egaal grijsbruin op kop en hals met een vuilwitte buik, en doen er drie tot vijf jaar over om volwassen te worden. In de vlucht is hij herkenbaar aan zijn houding en vliegwijze: de kop tussen de schouders getrokken, trage slagen afgewisseld met lange glijvluchten, meestal in een rij vlak boven de golven.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse witte pelikaan (Pelecanus erythrorhynchos) is nog groter en spierwit met zwarte slagpennen; hij duikt niet maar drijft de vis zwemmend bijeen, en hij zit vooral op binnenmeren. Jonge bruine pelikanen zijn van onderen zo bleek dat ze op afstand voor die soort worden aangezien, maar hun kop en hals blijven donker. Een rij aalscholvers vlak boven het water lijkt van ver op een rij pelikanen, tot je ziet dat ze een dunne rechte hals uitgestoken houden en veel kleiner zijn. Een zittende pelikaan is door zijn snavel met niets te verwarren.
Leefgebied
Ondiep kustwater: baaien, lagunes, riviermondingen, havenkommen en de branding vlak voor het strand, waar scholen kleine vis binnen bereik van het oppervlak komen. Diepe oceaan ver uit de kust gebruikt hij niet, en zoet binnenwater alleen bij hoge uitzondering. Om te broeden heeft hij een eiland zonder landroofdieren nodig: een zandplaat, een mangrove-eilandje, een rotseiland of een opgespoten baggereiland, waar hij op de grond of in lage struiken nestelt. Buiten de broedtijd zit hij graag op palen, steigers en in vissershavens, waar hij op het afval van de vangst wacht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Bewoont het hele jaar de kusten van beide oceanen: aan de Atlantische kant van Maryland en Virginia zuidwaarts langs de Golf van Mexico en door de Caraïben tot Venezuela en Brazilië, aan de Grote Oceaan van Midden-Californië tot Ecuador en Peru. Na het broedseizoen zwerven vooral jonge vogels noordwaarts, langs de westkust tot in Brits-Columbia en langs de oostkust tot in New England. Het binnenland wordt niet gebruikt, op verdwaalde vogels na die na een orkaan diep landinwaarts opduiken. De noordgrens is in de laatste vijftig jaar opgeschoven: aan de Atlantische kust zijn nieuwe kolonies ontstaan tot in Maryland, waar de soort vóór 1987 niet broedde.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem waar vissers hun vangst schoonmaken: aan een steiger of een visafslag zitten pelikanen op armlengte, en juist daar zie je hoe de keelzak werkt. Voor het duiken kun je beter bij windstil weer op een pier gaan staan en het water afzoeken op zilverige rimpelingen; boven zo'n school hangen de vogels op twintig meter voordat ze zich laten vallen. Kijk in het late voorjaar naar de hals: de kastanjebruine achterhals en de gele vlek verraden een vogel in volledig broedkleed.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer 370.000 broedvogels geschat en neemt sinds de jaren zeventig langzaam toe. Dat was ooit anders: endrin doodde de vogels rechtstreeks en DDT maakte de eierschalen zo dun dat ze onder het broedende ouderdier braken, zodat de soort aan de Golfkust en in Californië vrijwel verdween — in Louisiana, dat de pelikaan in zijn vlag voert, was omstreeks 1963 geen enkele over. Na het verbod op DDT in 1972 en het uitzetten van vogels uit Florida krabbelde de soort op: in 1985 werden de populaties van de Atlantische kust en de oostelijke Golf van de Amerikaanse lijst van bedreigde soorten gehaald, en in 2009 volgde de rest. Wat er nu aan bedreigingen overblijft is plaatselijk: olierampen, weggeworpen vislijn waarin vogels verstrikt raken, en de afkalving van de lage eilanden waarop ze broeden.
Wetenschappelijke naam
Pelecanus occidentalis | Linnaeus, 1766
Linnaeus beschreef de soort in 1766, in de twaalfde druk van zijn Systema Naturae, en gaf haar meteen de naam waaronder ze nu nog staat; omdat ze sindsdien niet van geslacht is verwisseld, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Pelecanus is het Latijnse woord voor pelikaan, ontleend aan het Griekse pelekan, dat verwant is aan pelekys 'bijl' — naar de vorm van de snavel. occidentalis betekent 'westelijk' en slaat op de Nieuwe Wereld, tegenover de pelikanen van Europa, Afrika en Azië die Linnaeus al kende. Als typelocatie geldt Jamaica, naar de eerste bron die hij bij de beschrijving aanhaalde.




