Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Bruinbuikpiewie

Bruinbuikpiewie | Contopus caribaeus

Cuban Pewee | Pibí Cubano

De bruinbuikpiewie is een piewie van Cuba en de noordelijke Bahama's, met een wit halvemaantje achter het oog dat geen andere piewie van het gebied heeft. In Noord-Amerika is hij dwaalgast: een handvol aanvaarde gevallen, alle uit Zuid-Florida.

Bruinbuikpiewie (Contopus caribaeus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hoog, piepend gefloten ieja of oe-wie-ja, meestal een paar keer achter elkaar en het sterkst in het eerste uur na zonsopgang. Overdag klinkt daarnaast een langgerekt, in toonhoogte dalend wieeeoooo. De vorm van de noordelijke Bahama's voegt er een herhaald die-die aan toe. De vogel roept vanaf een open tak op halve hoogte en blijft daarbij lang op dezelfde plek zitten.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een gedrongen piewie met een licht opgezette kruin en een korte vleugelpunt. De kruin is donker olijfgrijs, rug en gezicht olijfbruin, en achter het oog staat een wit tot vuilwit halvemaantje dat van opzij het beste opvalt. De vleugel is dofbruin met twee vage banden op de dekveertoppen. De keel is bleekgrijs, de borst grijsbeige met olijf op de zijden, de buik geelbeige tot mosterdkleurig. De snavel is breed en plat, van boven zwart en van onderen oranjegeel over de hele lengte. Jonge vogels hebben bredere, beigewitte vleugelbanden.

Verwarrings­soorten

De oostelijke en westelijke bospiewie zijn langer gevleugeld, hebben een langere vleugelpunt, missen het witte halvemaantje achter het oog en hebben donkerder, deels verdonkerde ondersnavel. De Empidonax-feetirannen hebben een volledige oogring in plaats van een halvemaan, een korter en fijner postuur en meestal duidelijker vleugelbanden. De hispaniolapiewie, die niet in hetzelfde gebied voorkomt, mist het halvemaantje eveneens. Bij een Florida-geval is de combinatie van het halvemaantje, de korte vleugelpunt en de geheel oranjegele ondersnavel doorslaggevend.

Leefgebied

Binnenkant en randen van loofbos en dennenbos, struikachtig schraalland, moerasbos en aanplant, van zeeniveau tot 1800 meter, maar zelden boven 1000 meter. De vorm van de zuidkust van Cuba houdt zich vooral in mangrove op. Hij jaagt vanaf een vaste uitkijkpost en pakt insecten in de vlucht, waarna hij naar dezelfde tak terugkeert.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De soort is standvogel op Cuba en Isla de la Juventud, op de zuidelijke cayo's en de Jardines de la Reina, en op de noordelijke Bahama's: Grand Bahama, Great Abaco, New Providence, Eleuthera, Cat Island en Andros. Binnen Cuba verplaatsen vogels zich met de seizoenen tussen hoogte en laagland. Naar Noord-Amerika komt hij alleen als dwaalgast; alle gevallen komen uit Zuid-Florida, in voorjaar en najaar, met waarnemingen onder meer in Miami-Dade County en bij Crandon Park. Dat de soort lang in Noord-Amerikaanse veldgidsen ontbrak, kan een deel van de schaarste aan gevallen verklaren.

Het Caribisch gebiedCaymaneilandenCubaBahama'sJamaicaHaïtiTurks- en Caicoseil.Dominicaanse Rep.Puerto Rico
  • Jaarrond
Kaartje van de archipel zelf: op de kaart van Noord-Amerika zou deze vogel een stipje linksonder zijn, en juist bij eilandsoorten gaat het om de vraag op wélke eilanden hij zit. De eilanden waar hij ontbreekt staan er grijs bij. Per eiland gemeten aan de waarnemingen van GBIF: het aantal waarnemingen van de soort gedeeld door alle vogelwaarnemingen daar, per seizoen, net als op de gewone kaart. Eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In Florida onderscheidt in maart en april bij piewies in een kustbos of hardhouthammock het oog deze soort: het witte halvemaantje erachter is met een verrekijker op tien meter zichtbaar. Op Cuba zelf is hij in de vroege ochtend te vinden op het geluid, langs bospaden en bosranden op alle hoogten.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC). Het areaal is groot en de soort geldt op Cuba en de noordelijke Bahama's als algemeen, van de kust tot middelhoge ligging. De populatiegrootte is niet gemeten en er zijn geen afzonderlijke bedreigingen vastgesteld; orkaanschade aan mangrove en dennenbos op de Bahama's raakt lokale aantallen.

Wetenschappelijke naam

Contopus caribaeus | (d'Orbigny, 1839)

D'Orbigny beschreef de soort in 1839 als Muscipeta caribaea; omdat ze later in Contopus is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslachtswoord Contopus komt van het Griekse kontos 'korte stok' en pous 'voet', naar de korte poten van deze tirannen. De soortnaam caribaeus betekent 'van het Caraïbisch gebied'. De typelocatie is Cuba; Burleigh en Duvall beperkten die in 1948 tot Holguín in de toenmalige provincie Oriente. De Nederlandse naam verwijst naar de geelbeige buik, de Cubaanse volksnaam bobito chico naar het geringe formaat.