Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Bruinbuikpiewie
Bruinbuikpiewie | Contopus caribaeus
Cuban Pewee | Pibí Cubano
De bruinbuikpiewie is een piewie van Cuba en de noordelijke Bahama's, met een wit halvemaantje achter het oog dat geen andere piewie van het gebied heeft. In Noord-Amerika is hij dwaalgast: een handvol aanvaarde gevallen, alle uit Zuid-Florida.
Geluid
De roep is een hoog, piepend gefloten ieja of oe-wie-ja, meestal een paar keer achter elkaar en het sterkst in het eerste uur na zonsopgang. Overdag klinkt daarnaast een langgerekt, in toonhoogte dalend wieeeoooo. De vorm van de noordelijke Bahama's voegt er een herhaald die-die aan toe. De vogel roept vanaf een open tak op halve hoogte en blijft daarbij lang op dezelfde plek zitten.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen piewie met een licht opgezette kruin en een korte vleugelpunt. De kruin is donker olijfgrijs, rug en gezicht olijfbruin, en achter het oog staat een wit tot vuilwit halvemaantje dat van opzij het beste opvalt. De vleugel is dofbruin met twee vage banden op de dekveertoppen. De keel is bleekgrijs, de borst grijsbeige met olijf op de zijden, de buik geelbeige tot mosterdkleurig. De snavel is breed en plat, van boven zwart en van onderen oranjegeel over de hele lengte. Jonge vogels hebben bredere, beigewitte vleugelbanden.
Verwarringssoorten
De oostelijke en westelijke bospiewie zijn langer gevleugeld, hebben een langere vleugelpunt, missen het witte halvemaantje achter het oog en hebben donkerder, deels verdonkerde ondersnavel. De Empidonax-feetirannen hebben een volledige oogring in plaats van een halvemaan, een korter en fijner postuur en meestal duidelijker vleugelbanden. De hispaniolapiewie, die niet in hetzelfde gebied voorkomt, mist het halvemaantje eveneens. Bij een Florida-geval is de combinatie van het halvemaantje, de korte vleugelpunt en de geheel oranjegele ondersnavel doorslaggevend.
Leefgebied
Binnenkant en randen van loofbos en dennenbos, struikachtig schraalland, moerasbos en aanplant, van zeeniveau tot 1800 meter, maar zelden boven 1000 meter. De vorm van de zuidkust van Cuba houdt zich vooral in mangrove op. Hij jaagt vanaf een vaste uitkijkpost en pakt insecten in de vlucht, waarna hij naar dezelfde tak terugkeert.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De soort is standvogel op Cuba en Isla de la Juventud, op de zuidelijke cayo's en de Jardines de la Reina, en op de noordelijke Bahama's: Grand Bahama, Great Abaco, New Providence, Eleuthera, Cat Island en Andros. Binnen Cuba verplaatsen vogels zich met de seizoenen tussen hoogte en laagland. Naar Noord-Amerika komt hij alleen als dwaalgast; alle gevallen komen uit Zuid-Florida, in voorjaar en najaar, met waarnemingen onder meer in Miami-Dade County en bij Crandon Park. Dat de soort lang in Noord-Amerikaanse veldgidsen ontbrak, kan een deel van de schaarste aan gevallen verklaren.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
In Florida onderscheidt in maart en april bij piewies in een kustbos of hardhouthammock het oog deze soort: het witte halvemaantje erachter is met een verrekijker op tien meter zichtbaar. Op Cuba zelf is hij in de vroege ochtend te vinden op het geluid, langs bospaden en bosranden op alle hoogten.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC). Het areaal is groot en de soort geldt op Cuba en de noordelijke Bahama's als algemeen, van de kust tot middelhoge ligging. De populatiegrootte is niet gemeten en er zijn geen afzonderlijke bedreigingen vastgesteld; orkaanschade aan mangrove en dennenbos op de Bahama's raakt lokale aantallen.
Wetenschappelijke naam
Contopus caribaeus | (d'Orbigny, 1839)
D'Orbigny beschreef de soort in 1839 als Muscipeta caribaea; omdat ze later in Contopus is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslachtswoord Contopus komt van het Griekse kontos 'korte stok' en pous 'voet', naar de korte poten van deze tirannen. De soortnaam caribaeus betekent 'van het Caraïbisch gebied'. De typelocatie is Cuba; Burleigh en Duvall beperkten die in 1948 tot Holguín in de toenmalige provincie Oriente. De Nederlandse naam verwijst naar de geelbeige buik, de Cubaanse volksnaam bobito chico naar het geringe formaat.




