Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Brewers gors
Brewers gors | Spizella breweri
Brewer's Sparrow | Chimbito desértico
Brewers gors is de gors van de sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland): een klein, bleek en bijna tekeningloos vogeltje dat in het Grote Bekken en op de noordelijke hoogvlakten de talrijkste broedvogel van uitgestrekt bijvoetstruweel is. Het verenkleed geeft weinig houvast, de zang des te meer — een lange, insectachtige aaneenschakeling van trillers. Een tweede vorm, de timberline sparrow, broedt in dwergstruweel hoog in de noordelijke Rocky Mountains.
Geluid
Er zijn twee zangtypen. Het korte type bestaat uit enkele rollende trillers van een paar seconden en klinkt als een langgerekte versie van de musgors. Het lange type kan een halve minuut of langer doorgaan en rijgt trillers en ratels van steeds wisselende toonhoogte aaneen, zonder duidelijk einde; het wordt vooral vroeg in het seizoen en in de schemering gehoord. De roep is een dun, hoog tsip, vaak vanuit een groepje in de struiken.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · South Bozeman, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto
Herkenning
Het is de bleekste en meest tekeningloze gors van zijn geslacht: grijsbruin van boven met fijne zwarte strepen, effen vuilwit tot beige van onderen zonder borststreping. De kruin is bruin met dichte zwarte streepjes en zonder lichte middenstreep. Het voornaamste kenmerk is een volledige, smalle witte oogring in een verder egaal gezicht met een fijn omlijnde oorstreek. De snavel is klein en vleeskleurig, de staart lang en ingesneden.
Verwarringssoorten
De bleke gors lijkt er het meest op: die heeft wél een lichte middenstreep over de kruin, een scherper afgetekende bruine wangvlek met donkere rand en een grijze, ongestreepte nek. Brewers gors heeft daarentegen een doorlopend gestreepte kruin en een grijsbruine, fijn gestreepte nek. De musgors is roder van kruin en grijzer van stuit en heeft in broedkleed een zwarte oogstreep. De timberline sparrow, de noordelijke vorm van Brewers gors zelf, is donkerder en grover gestreept en heeft vaker fijne streepjes op de borst.
Leefgebied
Aaneengesloten sagebrush-steppe met struiken van ongeveer een halve tot anderhalve meter en open grond ertussen; grote, niet versnipperde vlakten zijn nodig. Daarnaast bitterbrush en saltbush (twee droge westelijke steppestruiken) en andere droge struwelen en, in het noorden, dwergwilg en dwergberk boven de boomgrens. In de winter woestijnstruweel, doornstruweel en akkerranden in het zuidwesten en op de Mexicaanse hoogvlakte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Zuid-Brits-Columbia, Zuid-Alberta en Zuidwest-Saskatchewan zuidwaarts door Washington, Oregon, Idaho, Montana, Wyoming, Nevada, Utah, Colorado, Oost-Californië en de Dakota's. De noordelijke bergvorm broedt tot in Yukon en de Northwest Territories. Van augustus tot oktober trekken de vogels naar Zuid-Arizona, New Mexico, West-Texas en Noord- en Midden-Mexico, van Neder-Californië en Sonora tot Guanajuato en Noord-Jalisco.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans is in mei en juni op een sagebrush-vlakte in het Grote Bekken, rond zonsopgang. Rijd of loop langs de rand van een groot struikveld en wacht: zodra een mannetje het lange zangtype inzet, blijft hij minutenlang op dezelfde struiktop zitten. In het veld zoek je niet naar een tekening maar naar het ontbreken ervan — een bleke gors zonder kopstreping en met een complete witte oogring.
Staat van instandhouding
De IUCN houdt de soort op niet bedreigd (LC); de populatie is groot, maar de Noord-Amerikaanse tellingen laten al decennia een gestage afname zien. De oorzaak is het verlies van aaneengesloten sagebrush door omzetting in akkerland, door begrazing, door de opmars van cheatgrass (ingevoerd eenjarig gras dat de alsemsteppe verdringt) en de daarmee samenhangende branden en door de aanleg van infrastructuur. De soort broedt niet in kleine, versnipperde restanten, zodat oppervlakte en samenhang van het struweel bepalend zijn.
Wetenschappelijke naam
Spizella breweri | Cassin, 1856
Cassin beschreef de soort in 1856 al in het geslacht Spizella, waardoor auteur en jaartal zonder haakjes staan. Het geslacht Spizella is een verkleiningsvorm van het Griekse spiza, 'vink'. De soortnaam breweri eert Thomas Mayo Brewer (1814–1880), arts en eierverzamelaar uit Boston en medeauteur van een standaardwerk over Noord-Amerikaanse vogels. Het type kwam uit de Black Hills.





