Alle soorten › Zangvogels › Winterkoningen › Bewicks winterkoning

Bewicks winterkoning | Thryomanes bewickii

Bewick's Wren | Chivirín de cola oscura

Bewicks winterkoning is een slanke winterkoning van droog struweel, met een lange witte wenkbrauwstreep en een lange staart die hij voortdurend zijwaarts heen en weer zwaait. In het Westen is hij algemeen; ten oosten van de Mississippi is hij in de loop van de twintigste eeuw vrijwel verdwenen.

Bewicks winterkoning (Thryomanes bewickii)
Foto: Becky Matsubara — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit twee of drie delen: één of twee hoge, ijle aanzetnoten, dan een lage raspende noot en tot slot een heldere triller. Eén mannetje beheerst tot ongeveer twintig varianten van dat patroon en wisselt ze af. Jonge mannetjes leren hun zang niet van de vader maar van de buurmannen op het territorium waar ze zich vestigen, waardoor per streek eigen dialecten ontstaan. Roepen zijn een hard, raspend djèèèp en een droge ratel bij verstoring.

Luister: ZangXC1103027

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Blue Ridge Road, Solano County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Bovendelen effen grijsbruin — in het Westen donkerder en grijzer, in het Zuidoosten roodbruiner — en onderdelen bleek grijswit zonder tekening. Over het oog loopt een lange, scherp afgetekende witte wenkbrauwstreep tot in de nek. De staart is lang voor een winterkoning, zwart dwarsgebandeerd en heeft witte hoeken en witte punten aan de buitenste pennen; de vogel houdt hem vaak omhoog en zwaait hem langzaam van links naar rechts. De snavel is lang, dun en licht gebogen. Hij foerageert meestal onder de drie meter, in struiken, takkenhopen en langs schuurmuren.

Verwarrings­soorten

De Carolinawinterkoning is forser, warm roodbruin van boven en okerkleurig van onderen, met een kortere staart zonder witte hoeken. De huiswinterkoning heeft geen duidelijke wenkbrauwstreep, is gedrongener en fijn gebandeerd op flanken en staart. De Amerikaanse rotswinterkoning heeft een gespikkelde keel en een okerkleurige staartband en zit op kale rots. Het zijwaartse staartzwaaien in combinatie met de witte wenkbrauwstreep en de witte staarthoeken maakt Bewicks winterkoning in het veld goed te herkennen.

Leefgebied

Struikrijk, half open terrein: chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat) op hellingen, eikenland, woestijnstruweel met cactus en mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes), ravijnen met wilg, kaprand van naaldbos, houtwallen en verwilderde erven. Ook tuinen, parken en stadsranden met veel dekking worden bezet. Aaneengesloten hoog bos mijdt hij. Het nest zit in een holte — een boomgat, spleet, nestkast, brievenbus, blikje of opgerold zeil — vaak dicht bij menselijke bebouwing.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Vrijwel het hele jaar standvogel. Het huidige areaal loopt van Zuidwest-Brits-Columbia langs de Pacifische kust zuidwaarts, door het Grote Bekken en het Zuidwesten tot Texas, Oklahoma en de Ozarks van Arkansas en Missouri, en verder over het Mexicaanse hoogland tot Oaxaca, met aparte vormen op de Baja-schiereilanden. Historisch broedde hij ook in het Midwesten en de Appalachen tot in Pennsylvania en Ohio; daar is hij nu vrijwel weg. In het noorden van het Westen trekken enkele vogels over korte afstand zuidwaarts.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem langs de rand van een braamstruweel of een oud erf en let eerst op beweging: een kleine bruine vogel die zijn opgerichte staart traag zijwaarts zwaait, is in het Westen vrijwel altijd deze soort. Hij reageert sterk op nabootsing van zijn ratelroep en komt dan tot op enkele meters in de open struik.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldwijde broedpopulatie op 7,9 miljoen vogels en de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) is 11 van 20, maar die cijfers verhullen de instorting in het oosten. De belangrijkste oorzaak daarvan is de huiswinterkoning, die dezelfde holtes gebruikt en daarbij eieren uit het nest werpt en nesten vernielt; daarnaast speelden het opnieuw dichtgroeien van verlaten landbouwgrond, bestrijdingsmiddelen en concurrentie van spreeuw, huismus en Carolinawinterkoning een rol. Enkele oostelijke deelstaten voeren de soort als bedreigd; in het Westen is de trend stabiel.

Wetenschappelijke naam

Thryomanes bewickii | (Audubon, 1827)

John James Audubon beschreef de soort in 1827 als Troglodytes bewickii, naar een exemplaar van acht kilometer buiten St. Francisville in Louisiana; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Hij noemde haar naar zijn vriend Thomas Bewick, de Engelse houtgraveur wiens vogelillustraties hij bewonderde. Philip Lutley Sclater voerde in 1862 het geslacht Thryomanes in, van het Griekse thruon 'riet' en -manes 'verzot op', dus 'rietminnaar' — een naam die bij deze struweelsoort minder past dan bij haar verwanten.